Stil leven

Shoppen, witte suiker, vet eten? Wat moet je ermee. Een beter leven begint vier uur ten noorden van New York. „Loslaten dat werk en die e-mail.”

„I cannot check you in.”

„But...”

„Unless you pay me the 157 dollars and 50 cents for the night plus tax plus the one hundred dollar deposit in cash right now, I cannot check you in.”

Ik zwijg. Dit is New York, de stad van het meeste, het mooiste en het grootste – voor wie het kan betalen. ‘May the New Year bring you lots of green’, schreef een New Yorkse kennis een keer welgemeend op een kerstkaart – groene dollarbriefjes, bedoelde hij. Hoe heb ik dit kunnen vergeten?

Het is zondagavond, half tien. Een creditcard heb ik niet: thuis gebruikte ik hem zo weinig dat ik hem heb opgezegd, maar hier ben ik gehandicapt. De ene helft van de pinautomaten wil me helemaal niet kennen, de andere helft verklaart me na het uitspugen van een dollar of twintig voor de rest van de dag failliet.

De man achter de hotelbalie – zijn pony lijkt met een lineaal getrokken, ik bespeur iets van eyeliner – wacht met vileine gretigheid op het moment dat de paniek zich definitief in mijn gezicht zal nestelen. Maar dat gebeurt niet. Ik adem in, ik adem weer uit. Immuun ben ik.

Een visioen: ik en mijn rolkoffer, steeds trager voortstrompelend over nachtelijke stoepen. Ik óp mijn rolkoffer, in slaap gesukkeld in de goud verlichte stationshal van het Grand Central. Ach. Misschien ook wel een avontuur.

Mijn vriendin C. leidt precies het New Yorkse leven waarover de rest van de wereld graag fantaseert, voor de televisie of in de bioscoop. Zo’n zestig uur per week ‘kauwt ze cijfers’ bij een prestigieuze uitgeverij, in een werkkamertje zo groot als een postzegel op zeventien hoog. Daarnaast volgt C. een cursus Frans, doet ze aan yoga, rijgt ze de dates met potentiële partners aaneen in steeds weer nieuwe bars en restaurants en onthaalde ze deze Thanksgiving acht gasten op een perfect gelukte kalkoen-met-stuffing.

Nu is C. toe aan een break. Niet te lang, niet te duur, en met gegarandeerd resultaat. Op aanraden van haar yogalerares, zelf een voortijdig opgebrande promovenda, heeft C. een weekend geboekt in Kripalu, een groot rustoord in Massachusetts. Het ligt vier uur ten noorden van New York, er gaat een bus naartoe. Kripalu begon in de jaren zeventig als een echte hippie-ashram en werd vernoemd naar een Indiase guru (Swami Kripalvananda, voluit) die, zo wil de legende, twee van de vier jaar dat hij in de ashram was, heeft gezwegen.

Van zweverigheid is tegenwoordig geen sprake meer, weet C.: in 1983 verhuisde Kripalu naar het landgoed Shadowbrook in het natuurgebied de Berkshires, en sindsdien wordt het gerund als professioneel yoga-vakantieoord. Er komen zo’n 25.000 bezoekers per jaar. C. heeft een kamer voor twee. Of ik mee wil, vraagt ze. Ik zeg ja. Op vakantie durf je dingen. En als het niks is, heb ik in elk geval de legendarische chaos van busstation Port Authority een keer van dichtbij meegemaakt.

Ik krijg de chaos waarop ik hoopte, en méér. Black Friday, de dag na Thanksgiving, vormt hier het startschot voor het ‘kerst-shoppen’. Het is de drukste winkeldag van het jaar. Na een etmaal van opgelegde geheelonthouding verandert New York in één kolkend gevecht om spullen: kleren, tv’s, iPods. Een deel van de winkels gooit al om vijf uur ’s ochtends de deuren open, overal wordt met prijzen gestunt: een soort Dwaze Dagen, alleen kun je hier de winkel niet meer uit, want de winkel is overal. Zodra de bus optrekt, val ik als een blok in slaap.

Kripalu is óók vol, blijkt bij aankomst. Met z’n honderden tegelijk stappen mensen uit hun eigen auto’s of uit het veel te kleine pendelbusje.Shadowbrook is een imposant, laat negentiende-eeuws gebouw, dat doet denken aan een ouderwets ziekenhuis of een kostschool. Eromheen niets dan Berkshires: bergen, bomen en een verstild meer.

De rijen voor het inchecken doen nog angstig veel aan de stad denken, maar zodra de gasten hun kamernummer weten en het verplichte naamplaatje op hun kleren hebben gespeld, gebeurt er iets wonderbaarlijks: ze lijken op te lossen in het niets. Men leeft in Kripalu op een weldadige manier langs elkaar heen. De gedeelde badkamers zijn nooit vol. Op de lange gangen kom je nauwelijks iemand tegen. Mobiele telefoons mogen maar op een paar plaatsen worden gebruikt, en de paar laptops die vrijdagmiddag nog staan te zoemen in het cafeetje detoneren zo met hun omgeving dat ze een dag later zijn verdwenen. Loslaten, dat werk en die e-mail.

Alleen bij de maaltijden blijkt telkens even met z’n hoevelen we hier zijn. Voor ontbijt, lunch en diner wordt er op vaste tijden langs buffetten met macrobiotische kost geschuifeld in een enorme eethal, maar ook dat gaat met zo’n kalme discipline dat het de rust nauwelijks verstoort. Only in America, peins ik: de volharding waarmee Amerikanen gewoonlijk werken, shoppen of zich overeten, wenden ze net zo gemakkelijk aan voor iets heel anders. Dit weekend zijn ze de stilte toegewijd, en het door Kripalu beloofde betere leven. Zelfs de kinderen passen zich geruisloos aan.

‘Ik ben dankbaar omdat mijn zus hier naast me zit”, zegt Amy uit North-Carolina. „Ik ben dankbaar omdat mijn man een weekend op onze peuter van twee wilde passen”, zegt Patricia uit Zuid-Californië. „Ik ben dankbaar omdat ik even alleen mag zijn”, zegt July uit Seattle. We zitten met z’n veertigen in een wijde kring. Amy Ippoliti, de yogalerares die ons gaat leren om „de winter in te bloeien”, zegt na elk dankwoord hetzelfde: „Beautiful!” Daarna grijnst ze breed. Ze legt uit: als het buiten koud en donker wordt, is de natuurlijke neiging van de mens om in zijn schulp te kruipen en energie op te doen. Dat ritme wordt door de feestdagen wreed verstoord. Wij moeten ons juist dan laten zien, geld uitgeven, vet eten, familie vermaken, allemaal zaken die het systeem in de war brengen. Yoga is een manier om jezelf ook middenin een storm staande te houden. Wie genoeg oefent, op de mat en daarbuiten, zal zich op den duur zelfs met Kerst niet meer van de sokken laten blazen.

Amy zingt nog vier regels Sanskriet en praat ons vervolgens door anderhalf uur pittige yoga. Het verschil met een gewone les is vooral de manier waarop ze de poses inkleurt. „Recht naast elkaar die voeten, recht! Wie scheef staat, kan niet in waarheid leven!”

Het hoogtepunt is de schouderstand. Om me heen staat de ene na de andere yogi in een tel op zijn kop, maar Viktor, de zwaarlijvige Rus die ik samen met een dametje van een jaar of vijftig omhoog moet zien te houden, stort als een briesend beest ter aarde. Hij probeert het nog eens, en nog eens, hij moet en hij zal. Toen we ons net aan elkaar voorstelden, vertelde Viktor dat hij „veel donkerte in zich had” die hij in Kripalu wilde leren bestrijden, onder meer om de vete met zijn schoonzus bij te kunnen leggen. Tussen zijn trillende kuiten door wisselen het dametje en ik even een blik. Die heeft nog wat te leren. Maar ten slotte staat Viktor, wel tien seconden.

Kripalu biedt van zes uur ’s ochtends tot half tien ’s avonds workshops aan, van yogalessen tot begeleide meditaties tot, gewoon, een wandeling met praatje door het omringende natuurschoon. Wie het prikbord grondig genoeg bestudeert, vindt voor elk moment van de dag een activiteit. Dat lijkt weinig rustgevend, maar, en dat is het tweede wonderbaarlijke: het minimum aan ruis en het strikt gereguleerde communeleven geven nieuwe energie. Waarom dacht je eigenlijk dat je uit moest rusten? Je deed het gewoon niet zo handig, daar in de wilde wereld. Ontbijten kan net zo goed zwijgend – hier is het verplicht, maar niets blijkt gemakkelijker. Om tien uur ’s avonds is het eigenlijk heerlijk om af te taaien en te gaan slapen. Televisie, koffie, alcohol, witte suiker – wat moest je ermee? Ze maken enkel onrustig.

Zaterdagavond is het bonte avond, met een huisconcert van vier folky zangeressen die heel India afreizen op zoek naar volksliedjes. Ik dans met twee oude hippies en een groepje kinderen van een jaar of acht. We zijn allemaal op sokken. Zondagochtend om half zeven melden C. en ik ons voor een laatste rek- en strekles.

‘Dit is helemaal niet ingewikkeld. Waar sta je precies?” vraagt F. Zondagavond tegen tienen zijn mijn koffer en ik in een deli om de hoek van het hotel beland, en hier, tussen de tl-beschenen bakken met vergane groenten, lijkt een nacht als New Yorkse dakloze me opeens helemaal niet meer avontuurlijk, alleen maar doodeng. C. zit in de metro naar huis en neemt haar mobieltje niet op. F. is de enige die ik kan bellen.

Doorademen. Kalm blijven. Observeren. Ik heb het in Kripalu allemaal uitstekend onder de knie gekregen, maar wat is mijn opluchting groot als F. een kwartier later uit een taxi zwiert en zijn American Express Card pal voor de man met de pony op de hotelbalie neerpetst. „Sign here please”, zegt die zuinig. ,,Sure!”, grijnst F. Ik bloos van zijn goedheid, en zie de wereld weer haarscherp.

Voor meer informatie www.kripalu.com