Sterrenstelsels verstoppen zich achter Abell 3128

Sterrenkundigen van onder andere het Nederlands ruimteonderzoeksinstituut SRON hebben in het zuidelijke sterrenbeeld Horologium (Slingerklok) een grote verzameling sterrenstelsels ontdekt. Zulke clusters van sterrenstelsels zijn de grootste structuren in het heelal en gewoonlijk makkelijk te zien, maar niet als zij zich toevallig achter een andere cluster verschuilen. Dat was het geval bij het nu ontdekte exemplaar, dat zich precies achter Abell 3128 bevindt, maar zes maal zo ver weg staat. De ontdekking werd eind november gepubliceerd in het astronomische vakblad Astronomy & Astrophysics.

Abell 3128 is een compacte verzameling van duizenden sterrenstelsels op een afstand van 800 miljoen lichtjaar van de aarde. De cluster is gehuld in een wolk van heel ijl gas dat zo heet is dat het röntgenstraling uitzendt. Deze wolk heeft een diameter van 6,5 miljoen lichtjaar.

Het vreemde was echter dat deze wolk uit twee delen leek te bestaan waarvan de centra op 4 miljoen lichtjaar van elkaar stonden. In het centrum van het westelijke deel van de wolk waren sterrenstelsels van de cluster te zien, maar bij het oostelijke centrum niet. Bovendien leek de samenstelling van de twee wolkdelen heel verschillend, wat niet te rijmen valt met de huidige theorieën van het ontstaan van zulke grote structuren.

Enkele jaren geleden suggereerde de Amerikaanse astronoom James Rose dat het oostelijke deel misschien samenhangt met een verder weg staande cluster. Op die positie was namelijk radiostraling waargenomen die afkomstig zou kunnen zijn van een ver sterrenstelsel.

Zijn suggestie is nu bevestigd door Norbert Werner en zijn collega’s. Zij hebben het gebied rond Abell 3128 waargenomen met de Europese röntgensatelliet XMM-Newton en in het oostelijke deel tekenen gevonden van clustergas op een afstand van 4,6 miljard lichtjaar van de aarde, zes keer verder weg dus. Met de grote Magellan I Baade-telescoop van de Las Campanas-sterrenwacht in Chili werden vervolgens ook tekenen van sterrenstelsels op precies die afstand waargenomen.

De twee verschillende clusters van sterrenstelsels liggen dus toevallig precies in dezelfde gezichtsrichting. Door de straling van het achtergrondcluster weg te filteren, kunnen de eigenschappen van de voorgrondcluster nu beter worden bestudeerd.

Met zulke studies hopen astronomen er achter te komen hoe zulke grote opeenhopingen van sterrenstelselszijn ontstaan en hoe hun ontstaanswijze verband houdt met het ontstaan en de eigenschappen van het heelal als geheel.

George Beekman