SMAAKLOOS

Ik ben een speciaal geval in de geschiedenis van Nederland: ik was asielzoeker, daarna uitgeprocedeerd, daarna illegaal, daarna columnist, daarna dichter, daarna schrijver.

In negen jaar heb ik zo zes soorten mensen in Nederland geprobeerd, maar geen van die soorten voelde zich thuis in Nederland. Geen van de soorten had een moment het gevoel dat hij een deel was van de samenleving van Nederland. Allemaal zullen ze, zonder na te denken, weigeren een deel te worden van de Nederlandse samenleving. Allemaal zijn ze hier voor hun portemonnee.

Een oma was seniel geworden en begon te huilen, omdat ze geen maagd meer was. Ze was bang dat haar broers haar zouden vermoorden. Haar kinderen en kleinkinderen kwamen bij haar om haar gerust te stellen. Toen de vrouw zag hoeveel kinderen en kleinkinderen ze had begon ze nog harder te huilen. ‘Wat een ramp. Ik ben niet één keer ontmaagd, maar vele keren.’ Ik weet niet waarom ik aan die bejaarde vrouw uit een volksverhaal of misschien een mop uit mijn kinderjaren in het zuiden van Irak moest denken, toen ik aan de Nederlandse identiteit dacht. Maar misschien lijkt die bejaarde vrouw op de Nederlanders. Ze is bang om iets te verliezen dat ze niet heeft.

Mijn eerste jaar in Nederland in 1998, toen Nederland nog niet zo’n strenge naam had wat betreft integratie, was er een regeltje dat je als asielzoeker drie maanden per jaar mocht werken. Niet al het soort werk mocht, ik kon bijvoorbeeld niet werken als bouwkundig ingenieur. Het regeltje was duidelijk: wij mochten werken als schoonmaker in een magazijn van een supermarkt, als bollenpeller op een boerderij, als inpakker in een koekjesfabriek. Lichamelijk werk waar niet makkelijk autochtonen voor te vinden waren.

Het uitzendbureau stuurde mij naar een magazijn waar ik werkte van tien uur ’s avonds tot zes uur ’s ochtends. We vulden met een lijst karretjes met spullen voor een supermarkt. De werknemers stonden aan het begin van de nacht bij elkaar. We waren allemaal allochtoon, donkere huid. Een autochtone meneer kwam en vroeg ons naar onze namen. Omdat die te moeilijk voor hem waren, gaf hij ons nummers. Vanaf die avond was ik van tien tot zes uur ’s nachts Nummer Elf.

‘Hé 11’, vroeg de man. ‘Waar is 8?’

‘8 ging plassen’, zei ik. De man lachte.

‘Waar is 5 dan?’

‘5 rookt.’

Wat echt grappig was, was dat de man ons de eerste week een papier gaf met ons nummer erop, dat we op moesten hangen. Niet aan onze oren, zoals koeien en stieren, maar op onze ruggen. Hij probeerde niet onze namen onder de nummers te schrijven, zoals bij voetbalspelers. Alleen de nummers waren genoeg. Eigenlijk vond ik dat niet raar. De man behandelde ons op een menselijke manier. Op een dag nam hij mij mee naar zijn huis om een grote schuur op te ruimen. Zwart werk. Hij stelde me voor aan zijn vrouw, maar niet als Nummer Elf.

‘Wat is jouw naam ook al weer?’ zei hij beleefd. Ik gaf zijn vrouw een hand.

‘11’, zei ik. Ik kon duidelijk zien dat de man in verlegenheid was gebracht.

‘Je naam klinkt als een nummer’, zei de vrouw glimlachend.

In die periode, toen ik Nummer Elf was, begon ik te denken aan Nederland, het land waar ik woonde. Ik wilde graag kennis maken met Nederland. Wat voor soort land is het, wie zijn de Nederlanders, wat voor soort identiteit heeft het volk?

Ik ontdekte al gauw dat de pan waarin de samenleving wordt gekookt in Nederland geen smaak heeft. Er zijn gevoelige, machtige tongen, die uit de pan proeven en ervoor zorgen dat de samenleving smaakloos blijft. Stel je voor dat we alles wat geen Nederland is over de grens gooien, samen met de hasj, die miljoenen toeristen naar Nederland lokt, wat zal er over blijven? Niets. Nederland zal een saai dorp worden, waar het om zeven uur donker wordt en waar niets gebeurt.

Ik geloof dat de Nederlanders als volk geen identiteit hebben, omdat ze elkaar in nummers hebben veranderd. Niet voor drie maanden per jaar, maar voor het leven lang. Hoe kan de mens een identiteit hebben als hij duizend keren in zijn leven gecontroleerd wordt?

Ik denk dat de Nederlanders een feest moeten vieren, groter dan Koninginnedag. Niet als zij hun identiteit kwijtraken, want die hebben ze niet, maar als ze een andere identiteit krijgen. De identiteit die ze de kans geeft meer tijd te hebben en meer te genieten. Ik hoop dat de Nederlanders een enorm graf bouwen, groter dan de Postbank, Rabobank en ABN Amro samen en dat ze daarin de kaas en de klompen begraven. Op de grafsteen moet met grote letters staan: ‘Hier rust Wilhelmus van Nassau. Hij heeft te veel McDonald’s gegeten. Hij leefde het leven niet, maar dacht eraan.’

Rodaan, voorheen Al Galidi, is dichter, schrijver, afkomstig uit Irak en één van de 30.000 mensen die door het generaal pardon een verblijfsvergunning kunnen krijgen. Hij woont sinds 1998 in Nederland.