RUUD LUBBERS

Ruud Lubbers was een paar jaar op reis als hoge commissaris voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties. Toen hij terugkwam in Nederland schrok hij van de angst voor vreemdelingen. De oud-premier schreef een pamflet tegen het wij-zij-denken. ‘Het is in dit land níet fout gegaan door Pim Fortuyn. Het is fout gegaan doordat je niet alleen dingen moet zeggen, maar er ook wat mee moet doen.’

Ruud (68) en Ria (67) Lubbers wonen tegenwoordig aan ’s Lands Werf in Rotterdam. Dat is een straat middenin het centrum. Ze wonen zeshoog, in een appartementengebouw waar meer senioren wonen. In hun oude, vrijstaande familiehuis aan de rand van de stad woont nu hun dochter, met haar man en drie kinderen. Ruud Lubbers, oud-premier, oud-hoge commissaris voor de vluchtelingen en zomer vorig jaar nog even informateur na de val van het kabinet, woont in de ?at sinds het voorjaar van 2005. Toen keerde hij terug uit Genève. Dit is wat hij zag:

Ik liep door de straten van mijn stad en schrok: de mensen keken anders naar elkaar, en de allochtonen keken weg. De angst voor de grote aantallen immigranten overheerste. Rotterdam heeft altijd bekend gestaan als een stad waar veel nationaliteiten samenkwamen, veel vreemd volk, als een stad die erg op het buitenland gericht was. Samen werkten we hard en daar waren we trots op: geen woorden maar daden. Maar die openheid jegens anderen was omgeslagen in angst. Terug in Nederland trof ik een Rotterdam in gruzelementen aan. Dat nou net míjn stad voorop moest lopen in de Fortuynbeweging, dacht ik. Het kwam voor mij als een schok.

Het fragment komt uit een boekje dat Ruud Lubbers heeft geschreven, De vrees voorbij. Een hartenkreet. Of preciezer: hij heeft het niet zelf geschreven, maar wat erin staat wel allemaal gezegd in een aantal gesprekken die vervolgens zijn verwerkt tot een kleine vijftig pagina’s monoloog. De ondertitel hartenkreet is op zijn plaats. Het boekje is een oproep aan ons allemaal, om een einde te maken aan de angst voor vreemdelingen die dit land volgens de langst zittende minister-president uit de geschiedenis verlamt:

Het verdriet mij dat mijn stad, mijn land, verleerd heeft samen te leven met mensen die van elders zijn gekomen. Nederland is in een kramp geraakt: we zijn bang geworden voor de vreemdeling en hebben de neiging alles wat anders is uit te sluiten.

Waarom wilde u dit boekje schrijven?

‘Het was niet mijn eigen idee, daar moet ik eerlijk in zijn. Het is begonnen bij de uitgeverij, waar mensen een patroon zagen in een aantal uitspraken van mij in de media. Is het geen idee om die allemaal bij elkaar te zetten, vroegen ze. Toen moest ik afwegen of dat toegevoegde waarde had. Ik vond: ja, maar dan niet door mijzelf geschreven. Ik spreek makkelijker dan ik schrijf. En niet te lang. Zo kwamen we, de schrijfster Carolina Lo Galbo en ik, op een format van tienduizend woorden.’

Een pam?et?

‘In het begin is dat woord overwogen. Manifest, dat kon ook. Maar in hartenkreet zit meer gevoel. Het is met het hoofd bedacht, maar het hart speelt een grote rol. Mijn eigen hart. En het hart van anderen, waar ik aan appelleer.’

Wat wilt u vertellen?

‘Wat ik wil vertellen, hangt samen met het werk dat ik doe (Lubbers is voorzitter van uaf, voorheen het Universitair Asielfonds, en speelt een leidende rol in het Earth Charter Initiatief, van mensen die zich inzetten voor het behoud van een duurzame wereld, red.). Maar het is óók de Rotterdammer én de oud-minister-president, die hier spreekt. Die het verdrietig en zorgelijk vindt dat we zo vast zijn gelopen. Dit land is in een kramp geraakt. En die kramp moeten we voorbij.

Maar ik zeg de vrees voorbij, omdat de bezorgdheid van mensen oprecht is: hoe moet het nou verder, vragen ze zich af. De vrees van mensen kun je niet afdoen met ‘dat is Wilders’. Het zit dieper in de samenleving.

Maar we moeten ons er niet door laten overmannen.’

De oproep aan ons allemaal is ook een oproep aan de politiek. Of misschien wel in de eerste plaats aan de politiek:

De war on terror had ook in ons land voet aan de grond gekregen. Het beoordelen van veiligheidsrisico’s werd de maat der dingen en het credo luidde: weg met de diversiteit. We leven op ónze manier, en iedereen die daarvan afwijkt moet weg. Balkenende had als premier weliswaar het thema waarden en normen op de agenda gezet, maar dat sloeg eerder op oer-Hollandse waarden; van de waarde ‘diversiteit’ was inmiddels weinig of niets meer over.

Dat past in de traditie van de christen-democratie, die vaak eerder provinciaals dan kosmopolitisch is te noemen. Het zou ook anders kunnen:

Het helpt zeker als Balkenende zich uitspreekt. Sterker nog, het is zijn verantwoordelijkheid om het land bij elkaar te houden. Over belangrijke zaken moet je in zo’n positie klemmende uitspraken doen. Toen ik premier was, vond ik het zorgwekkend dat er zoveel mensen aan de kant stonden, weggezet in de wao. ‘Nederland is ziek’, zei ik toen. Als hoge commissaris voor de vluchtelingen sprak ik de woorden: ‘Vluchtelingen zijn de moeite waard.’ Als Balkenende zegt: ‘Moslims zijn de moeite waard’, dan werkt zo’n statement misschien niet direct, maar het zet wel een proces in gang. Het gaat allemaal makkelijker als de mensen denken: hé, de minister-president vindt het belangrijk.

Wat vindt premier Balkenende van uw boekje?

‘Die is er blij mee. Hij kent deze oproep aan hem. Hij heeft er ook al gebruik van gemaakt. Het is alleen misschien niet iedereen opgevallen. Dan moet je nalezen wat hij precies zegt. Het verloop van de uitspraken van premier Balkenende in de Tweede Kamer: daar zou je op kunnen promoveren. Ik ben er natuurlijk in geïnteresseerd, ik volg het. Ik krijg zijn uitspraken in dit verband trouwens ook toegemaild.’

Wie mailt u dat?

‘Hij. Althans, een medewerker.’

‘Kijk, dit heb ik gezegd’, staat daar dan in?

‘Ja. Jazeker. Dus ik zie dat geleidelijk aan ontwikkelen. Ik heb natuurlijk een rol gespeeld bij het oplossen van de crisis, toen D66 in 2006 uit het kabinet-Balkenende II stapte. Als informateur vond ik het toen beter voor het land dat het kabinet nog een begroting in zou dienen en dat er pas daarna verkiezingen zouden zijn. Maar er werd een prijs betaald: nóg zes maanden met Rita Verdonk op Vreemdelingenzaken. Dat was voor mij een additionele reden om dit boekje te schrijven. Om on the record te gaan.’

Een goedmakertje?

‘Ik weeg dat mee. Neem je tijd, vind ik. En nu is er een andere coalitie. Ik ben daar blij mee, natuurlijk. Maar we zijn er nog lang niet. Een andere toon is belangrijk, maar niet genoeg. Participatie is de enige weg voorwaarts.’

Participatie is een woord dat veel voorkomt in De vrees voorbij. Je zou kunnen zeggen dat het wordt gebruikt in plaats van het overbeladen woord emanciperen. In elk geval lijken participeren en emanciperen op elkaar:

Het zal een heel proces worden, zoals dat ook bij de emancipatie van vrouwen op het werk het geval was. Aanvankelijk zaten de managers helemaal niet op hun komst te wachten. Maar geleidelijk aan veranderde dat. Steeds vaker stond iemand van de adviesraad of directie tijdens een bespreking op en zei: ‘Ik vind het toch zo raar dat er geen enkele vrouw bij ons aan tafel zit. Daar moeten we wat aan doen.’ Ik ben ervoor om bij gelijke geschiktheid een allochtoon te kiezen, om de achterstand in te halen. Zo ging dat indertijd ook bij de emancipatie van de vrouw. Dat is inderdaad positieve discriminatie, en die is broodnodig.

Politiek, werkgevers, maar ook anderen moeten hier een rol spelen. In eigen kring:

Mensen moeten elkaar in het gareel houden, maar elkaar ook stimuleren iets van het leven te maken.

Die rol is weggelegd voor de opinieleiders uit de eigen kring, zoals de imams, maar ook voor ouders en andere familieleden, eigenlijk iedereen met een zekere vorm van gezag. Zij kunnen de jongeren aansporen, ze ervan overtuigen dat werken of studeren de enige weg tot succes is.

En in andere kringen:

Naast de eigen kring zijn er zogenaamde ‘functionele kringen’: arbeid, onderwijs, volksgezondheid, sport en cultuur, georganiseerd in ontelbare verenigingen, clubs en instanties. Dáár moet de participatie van allochtonen worden bevorderd. Hen erbij betrekken zou op de agenda van elke medezeggenschapsraad moeten staan.

Terug naar het begin. U liep door de straten en schrok. Waar liep u? Wat zag u?

‘Wat ik daar zeg is vooral een metafoor. Het is ook niet alleen lopen. Het is ook horen hoe mensen over elkaar praten. Daarbij is mijn vrouw mijn voornaamste informatiebron. Zij is hier het vaakst. Er zit ook de dimensie in van oudere mensen die bezorgd zijn. Wij gaan natuurlijk veel om met mensen van onze leeftijd. En die vragen zich af waar het naar toe gaat.’

Maar toch: u woont middenin de stad. U loopt door de stad.

‘Ja natuurlijk. Dus in die zin is het geen abstractie. Aan de andere kant: het zit niet alleen in de grote stad. De intensiteit is groter in de grote steden. Het negatieve en het defensieve, hoe minder allochtonen hoe beter – dat is hier sterker. Maar grote steden laten altijd ontwikkelingen zien die elders ook komen. Dus wat dat betreft, strekt het zich verder uit. Zoals de participatie van vrouwen ook niet alleen een kwestie van de grote steden was.’

U ziet een bang land.

‘Ik denk dat mensen echt bang zijn, ja. Ook allochtonen. Geslaagde allochtonen die willen vertrekken, omdat ze aanvoelen dat er iets niet goed zit. Terwijl die mensen waardevol zijn voor de samenleving.’

Je kunt ook bang zijn dat je kind straks alleen nog op een zwarte school terecht kan.

‘Wij zijn grootouders. Mijn dochter woont in deze stad, met drie kleine kinderen. Iedere vader en moeder staat voor de praktische vraag: naar welke school gaat mijn kind. Dat is heel concreet. En over zulke praktische, concrete vragen heb je het als je praat over participatie. Op dit moment overheersen de negatieve verhalen over allochtonen. Daar zitten veel vooroordelen bij. Als je elkaar tegenkomt op school en op het werk, leer je elkaar kennen. Dan kan er meer begrip ontstaan.’

Stel, iemand woont hier in de stad en zegt tegen u: ik doe mijn kinderen op een witte school, want een zwarte school durf ik niet aan. Wat zegt u dan?

‘Niks. Nou ja, ik begin natuurlijk geïnteresseerd te praten over dat gezin. Maar ik denk dat ik vooral luister. Daar kan ik van leren: waarom doen ze dit. En als ik dan later iemand spreek die het anders doet, zeg ik: gôh interessant, ik kwam net huppeldepup tegen, weet je wel, die ken je nog wel, en die vertelde een heel ander verhaal. Zo praktisch is het voor mij. Ik hoor veel en ik luister. Ik hoor over succesvolle moslima’s en zeg dan later tegen iemand anders: jij hebt het nu wel over die verdomde islam, maar ik ken succesvolle moslima’s die helemaal niet anti-islam zijn. Ik bouw door op het positieve, zonder rond te gaan met een catechismus van hoe je je moet gedragen. Ik ben geen prediker.’

Als premier (1982-1994) stond Ruud Lubbers bekend als keiharde saneerder. Ruud Shock, was zijn bijnaam in het buitenland. Nu is hij alweer een aantal jaren de man die opkomt voor de zwakkeren: vluchtelingen, asielzoekers, allochtonen. In De vrees voorbij gaat hij in op de mogelijke kritiek dat hij soft geworden is. Dat is hij niet, vindt hij zelf. Voorbeeld? Vluchtelingen zouden we in grotere getale moeten opnemen, maar alleen als ze echte vluchtelingen zijn en hebben bewezen dat ze kunnen functioneren in de samenleving. Anderen moeten we snel uitzetten of niet eens wíllen ontvangen:

Het is echt beter dat Afrika zichzelf ontwikkelt; emigratie kan daar niet het alternatief zijn. Dat klinkt hard, maar het is niet realistisch om je af te vragen:

hoe kunnen we alle arme sloebers uit de sub-Sahara redden? Arbeidsmigratie moet in het belang van Nederland zijn.

En over ‘kut-Marokkanen’:

Criminele jongeren moeten harder worden aangepakt. Ik besef dat de beleving van mensen afhangt van kleine dingen: het onveilige gevoel op straat, meisjes die nageroepen worden. Mijn plan werkt dan ook alleen in combinatie met criminaliteitsbestrijding.

Krijgt u vaak het verwijt dat u een softie bent geworden?

‘Er is natuurlijk maar een beperkte groep die zo’n boekje leest. En er is veel zwart-wit. Maar ik ben niet zwart-wit. Mensen denken: ‘Ruud Lubbers? Die heeft het verkeerde idee dat we positief moeten zijn over allochtonen.’ Maar dat schrijf ik helemaal niet. Ik schrijf dat we stevig moeten optreden tegen criminaliteit. En ik eis dat iedereen de handen uit de mouwen steekt en werkt. Veel mensen denken dat dat niet in het boekje staat. Of ze hebben het boekje wel gelezen, maar wíllen dat er niet in zien. Dat vinden ze te ingewikkeld. Die mensen zeggen: ben je nou voor of tegen allochtonen. Dat noem ik cowboy-achtig – zwart of wit, dit of dat. Terwijl ik het precies zo probeer op te schrijven als ik erin sta.’

Blijft over het mogelijke verwijt dat Lubbers als premier aan de wieg stond van de huidige problemen. In zíjn tijd kwamen de immigratiestromen op gang van wat toen nog ‘gastarbeiders’ werden genoemd: gasten, die weer terug zouden gaan. Ook op die kritiek gaat De vrees voorbij in, met een historische schets van een aantal pagina’s. Conclusie:

De allochtone jongeren doen onvoldoende mee in de samenleving. Dát is nu ons grootste probleem. Als de eerste generatie gastarbeiders zich hier weet te redden, zullen hun nakomelingen vanzelf wel vernederlandsen: dat was lange tijd de gedachte in Nederland. Ook ikzelf ben pas later gaan inzien dat er meer voor nodig is om mensen te laten integreren, zelfs al zijn ze hier geboren.

Is er terugkijkend ook iets van spijt? Hadden we het maar gezien?

‘Nee, spijt heb ik niet. Natuurlijk kun je je afvragen of we niet eerder wat hadden moeten doen. Voordat ik de politiek inging, was ik fabrieksdirecteur. Toen dachten we: die gastarbeiders gaan weer weg. Dat was een misvatting. En zo kun je achteraf een hele reeks misvattingen zien. Dingen waarvan je zegt: het had beter gekund. Maar het is pas recent geëxplodeerd.’

Is het voor politici moeilijk om maatschappelijke problemen tijdig te onderkennen?

‘Dat is heel moeilijk, ja. Het is moeilijk om dingen op tijd te zien. En het is ook moeilijk te weten wat de politiek moet doen en wat de politiek moet laten. In de perceptie van mensen is de politiek bovendien groter geworden: die moet het maar oplossen. De politiek denkt dat zelf ook. En de enorme journalistiek eromheen schept het beeld dat het daar allemaal gebeurt. Maar de kracht van een land zit in de samenleving. Hopelijk heb je een goed kabinet en een goeie minister-president. Maar toch: uiteindelijk moet de samenleving het doen.’

Waarom onderkende Pim Fortuyn de problemen wél?

‘Hij woonde middenin de stad, maar dat was niet de hoofdzaak. De hoofdzaak was: het was een ruimdenkend iemand met een goed waarnemend vermogen.

En als homo ervoer hij dat moslims zich gesloten en afwijzend op kunnen stellen. Was hij daarom een harde man? Nee, dat denk ik niet. Hij was voor een generaal pardon. En hij had in de gaten dat het kabinet zijn contact met de samenleving verloren had. Het is in dit land níet fout gegaan door Pim Fortuyn. Het is fout gegaan doordat je niet alleen dingen moet zeggen, maar er ook wat mee moet doen. Dat gebeurde niet. Daardoor werd het steeds meer roepen. En steeds minder een beweging die zich opent voor andere mensen. Ik pleit voor een beweging die zich opent.Dat noem ik participatie.’

Maar de mensen luisteren liever naar Rita Verdonk dan naar u.

‘Dat zou best eens kunnen. En dat is misschien ook een deel van het probleem. Ik heb veel gehoor bij jongeren. Dat komt: ik spreek over de langere termijn en ik denk positief. Jongeren hebben in de gaten dat er veel korte termijn is. We leven in een wereld van soundbites, waarin het negativisme goed verkoopt – de onenigheid, het gevaar. Jongeren zijn opgelucht als iemand met een ander verhaal komt. Die willen positieve dingen horen. Over de lange termijn nadenken.’

En het spiegelbeeld is: witte, bange, oudere kiezers.

‘Ja. Maar ook jongeren hoor. Ik kom leeftijdgenoten tegen die zeggen: mijn zoon of dochter is pro-Verdonk. Of pro-Wilders. Dat komt overal voor, ook in de betere kringen.’

Alleen politici met een overtuigende toekomstvisie en een duidelijk moreel kompas kunnen het tij keren, zegt Lubbers in De vrees voorbij. En dan nog:

Het aanvaarden van moslims ligt heel gevoelig: de wonden in de samenleving zijn nog vers. Ieder woord krijgt in de media een verkeerde uitleg, je kunt je vingers er gemakkelijk aan branden. Zelf merk ik het verschil ook. Kom ik een lezing houden over klimaatverandering, dan wacht mij een staande ovatie voordat ik ook maar één woord gesproken heb. Bij integratie is het andersom. Dat is ?etsen door rul zand in plaats van vaart maken op het asfalt. Maar dat mag geen reden zijn om het vraagstuk te negeren. Hoe voorkom je dat twee groepen, moslims en niet-moslims, verder uit elkaar groeien? Mij lijkt dat het belangrijkste thema van deze tijd. Belangrijker nog dan de hypotheekrenteaftrek en zelfs de ?nanciering van de aow.

Dus?

‘Dus komt het goed. Niet meteen, maar de balans zal een keer terugkeren. Dit is een fase waar we doorheen moeten.’ M

‘De vrees voorbij. Een hartenkreet.’ Ruud Lubbers in gesprek met Carolina Lo Galbo. De Bezige Bij, 2007. 60 pagina’s, 6,90 euro.

Gretha Pama is redacteur van NRC Handelsblad.

Paul Faassen is freelance illustrator.

[streamers]

‘Het verloop van de uitspraken van Balkenende in de Tweede Kamer: daar zou je op kunnen promoveren.’

‘Ik denk dat mensen echt bang zijn, ja. Ook geslaagde allochtonen willen vertrekken, omdat ze aanvoelen dat er iets niet goed zit.’

‘Als homo ervoer Pim Fortuyn dat moslims zich gesloten en afwijzend op kunnen stellen.’