Racisme is in Israël geen taboe

Racisme jegens Arabieren was in Israël lang taboe, maar daar begint de laatste tijd verandering in te komen. Racisme mag, en de kloof tussen de joden en de Arabieren groeit.

In 1984 werd de racistische anti-Arabische Kach-partij van rabbijn Meir Kahane met ruime meerderheid van stemmen door de Knesset, het Israëlische parlement, buiten de wet gesteld. Toen werd deze Amerikaanse rabbijn die het Israëlische staatsburgerschap had verkregen als een paria door de samenleving uitgekotst.

„Nu is het anders”, zegt dr. Elie Rekhess, specialist van de TelAvivse universiteit op het gebied van ontwikkelingen in de Israëlisch-Arabische (Palestijnse) gemeenschap. Rabbijn Kahane is volgens hem in de gestalte van de racistische politicus Avigdor Lieberman teruggekomen. En ondanks zijn uitgesproken anti-Arabische retoriek en denkbeelden is deze Russische immigrant, leider van de ‘Ons huis-partij’, als minister voor Strategische Ontwikkelingen een van de pijlers van de regering-Olmert.

Lieberman ziet de Arabische minderheid in Israël als een vijfde colonne die niet alleen staatsgevaarlijk is, maar ook het joodse karakter van de staat Israël bedreigt. Hij pleit voor het afstoten van Israëls Arabieren naar een Palestijnse staat en het ontnemen van hun staatsburgerschap.

„In Israël is een klimaat ontstaan dat politici de ruimte geeft racistische uitlatingen te doen, in de Knesset en in de media. De tijd is voorbij dat de samenleving dat niet tolereerde. Op racistische uitlatingen staan geen sociale sancties meer”, zegt professor Daniel Bar Tal. Hij doceert politieke sociologie in Tel Aviv en volgt in het bijzonder de betrekkingen tussen de joodse meerderheid en de Arabische minderheid.

Hij noch Rekhess is verbaasd over een recente opiniepeiling van de Israëlische Associatie voor Burgerrechten waaruit blijkt dat racistische gevoelens van de joodse meerderheid jegens de Arabische minderheid (20 procent van de Israëlische bevolking) toenemen. Uit de peiling blijkt dat 78 procent tegen opname van Arabieren in de regering is (er zit één Arabische minister in de regering-Olmert), 75 procent weigert met Arabieren in een woningblok te wonen en 55 procent er voor is Israëlische Arabieren aan te moedigen het land te verlaten. Anti-Arabische sentimenten komen ook tot uitdrukking bij voetbalwedstrijden. Arabische spelers worden regelmatig uitgejouwd.

Arabische studenten stuiten op grote moeilijkheden bij het vinden van woonruimte in Tel Aviv. Arabische monteurs bij garages nemen Israëlische namen aan om van beledigende opmerkingen verschoond te blijven. Mohammed laat zich Yoav noemen. Naamsverandering speelt ook een rol bij het veroveren van joodse Israëlische meisjes. Met Chaim is het leuk uitgaan, met Ibrahim niet.

Dr. Eli Rekhess meent dat er een correlatie bestaat tussen de intensiteit van het Israëlisch-Palestijns/Arabische conflict en racistische gevoelens jegens de Arabieren. In de eerste twintig jaar na de stichting van Israël in 1948 was er geen anti-Arabisch racisme of werd dit met de nog verse herinneringen aan het racisme van de nazi’s onderdrukt. De zionistische pioniers waren zelfs gecharmeerd van de Arabieren. Zij zagen in hun primitieve levenswijze de leefpatronen van de joden die 2.000 jaar geleden door de Romeinen uit Palestina waren verdreven.

Sindsdien hebben Israëls oorlogen met de Arabische buurlanden en twee intifadahs de anti-Arabische sentimenten bij de joodse meerderheid een racistische kleur gegeven. „Iedere Qassamraket die vanuit Gaza op Sderot wordt afgevuurd zet tot racisme aan”, zegt dr. Rekhess.

Toch is er op verschillende niveaus sprake van goede en zelfs vriendschappelijke betrekkingen tussen joden en Arabieren. In ziekenhuizen, waar vertrouwen tussen arts en patiënt van essentieel belang is, zijn steeds meer Arabische artsen en verpleegsters werkzaam. Ook het aantal Arabische apothekers is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Joodse Israëliërs gaan in groten getale naar Arabische restaurants.

Professor Bar Tal heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de stereotype omschrijving van Israëlische Arabieren in schoolboeken en in Israëlische literatuur. Tot het begin van het vredesproces met Egypte (1978) en daarna met de Palestijnen (1993) werd de Israëlische jeugd in de schoolboeken geconfronteerd met een racistische stereotypering van de Arabieren. Ze werden aangeduid als onbetrouwbaar, vijandelijk, vies en laf. Hoewel niet alle negatieve omschrijvingen van de Arabieren uit de schoolboeken zijn geschrapt is er volgens professor Bar Tal sprake van „grote verbetering”. In nieuwe schoolboeken is plaats ingeruimd voor de verdrijving van Arabieren tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog en voor de Palestijnse nationale aspiraties.

Het is te weinig om joden en Arabieren in Israël tot elkaar te brengen. Volgens dr. Rekhess groeien beide gemeenschappen snel uit elkaar. De schuld ligt niet alleen bij de Arabieren die naar zijn zeggen „de joden aanleiding geven de Arabieren te haten”, maar ook bij de Israëlische regeringen die gefaald hebben de Israëlische Arabieren in het staatsapparaat te integreren. Slechts 5,5 procent van de banen in overheidsdienst is voor Arabieren gereserveerd. Alle Israëlische regeringen behalve die van premier Rabin hebben de stedelijke en industriële ontwikkeling in de Arabische sector verwaarloosd of gedwarsboomd. De Arabische rechter Hasham Chitib wees er onlangs op dat discriminatie van de Arabische minderheid door de regeringen het vertrouwen tussen beide gemeenschappen ernstig heeft geschaad.

„Het kan tot ernstiger uitbarstingen komen dan in oktober 2000 het geval was, toen dertien Arabieren tijdens zeer ernstige onlusten bij Umm al-Fahm door de politie werden gedood”, zei hij. Dr. Rekhess deelt die mening. „De spanningen tussen joden en Arabieren in Israël is Israëls grootste probleem”, zegt hij. „Groter dan het streven van de Palestijnen in de bezette gebieden naar onafhankelijkheid.” Hij wijst erop dat onder de Israëlische Arabieren krachten aan het werk zijn die streven naar culturele autonomie en een Arabisch parlement.

Volgens recente gegevens is de Arabische minderheid in Galilea een op de joden uitlopende meerderheid geworden. Het Arabische separatisme drijft op deze ontwikkeling. In zeer progressieve joodse intellectuele kringen wordt ingezien dat van de Arabieren niet langer kan worden verlangd dat ze het Israëlische volkslied Hatikwa zingen.

Een nieuw punt van spanning is de door Israël aan de Palestijnen in Annapolis gestelde eis Israël als joods land te erkennen. Volgens professor Bar Tal is dat ook voor de Israëlische Arabieren onaanvaardbaar. „Terecht zien ze dat als een aantasting van hun burgerrechten in ons land.”

Zal de stichting van een Palestijnse staat naast Israël hierin verandering brengen? „Nee”, zegt professor Bar Tal. „De joodse meerderheid zal juist dan het joodse karakter van de staat Israël krachtiger dan ooit benadrukken. Als gevolg daarvan zullen de betrekkingen tussen joden en Arabieren in Israël verslechteren in plaats van verbeteren.” Dr. Rekhess meent echter dat de stichting van een Palestijnse staat een positief effect zal hebben op de relaties tussen beide gemeenschappen in Israël. „Ik ben nog optimistisch.”