Ons bestaan wordt saaier – en ik ben mijn broodwinning kwijt

Een scenario waarin de fascinatie voor de monarchie als een gekte aan de kaak werd gesteld, bleek toch een stap te ver. Kamenier Els die bang is dat de Republiek wordt uitgeroepen? Een coach voor iedereen op het paleis?

Ton Vorstenbosch

Scenarioschrijver

Gedurende een niet al te grote tijdsspanne werd het Huis van Oranje getroffen door de dood van prins Claus, prinses Juliana en prins Bernhard. Al was er een zekere compensatie door de geboorte van diverse nieuwe telgen, het was voorstelbaar dat het een zware tijd moet zijn geweest voor de koninklijke familie. En indirect dus ook voor hun naaste medewerkers en personeel.

Dat was de rode draad van ‘Een klucht op Huis ten Bosch’ of ‘Pardon Majesteit’ dat ik in 2005 samen met Kiek Houthuijsen voltooide. In dit stuk besloot koningin Beatrix, geheel naar de tijdgeest, zichzelf, en met haar de hele Oranjefamilie, via musicalcoaching een morele oppepper te geven om het gemis van zoveel dierbaren te verwerken. Overigens wordt in het stuk alleen aan de leden van het koninklijk huis gerefereerd, en wordt alleen het huispersoneel op Huis ten Bosch ten tonele gevoerd. Ook voor hen wordt namelijk, op initiatief van de vorstin, een coach aangetrokken. Al snel komt allroundcoach Vera Kromhout er achter dat alle personeelsleden aan wel héél merkwaardige wanen lijden die allemaal betrekking hebben op het koninklijk huis.

Zo meent kamerdienaar Egbert Colenbrander zeker te weten dat ons staatshoofd al jarenlang een oogje op hem heeft; vreest Els, kamenier, dat elk moment de republiek zal worden uitgeroepen; beweert een kamermeisje dat haar moeder een halfzuster is van de koningin en een jonge lakei dat alle prinsen homoseksueel zijn en met hem naar bed willen. In toenemende mate aangeslagen door deze Oranjepathologie begint de coach, die zelf uiterlijk veel weg heeft van Beatrix, onder meer door haar overeenkomstig kapsel, zich steeds meer met de koningin te identificeren. Ze steekt zelfs een toespraak af, waarbij ze zich ook echt Beatrix waant. Na deze verbale waanzinsaria volgt een onverwachte wending. De koningin maakt via een televisietoespraak bekend dat ze niet alleen aftreedt, maar ook vindt dat het Nederlandse volk niet langer een koningshuis verdient. Wat haar betreft is Nederland voortaan een republiek.

Na lezing van het stuk op 29 april 2005, de dag voor Koninginnedag, met onder anderen wijlen Gert-Jan Dröge, bleken Oranjeklanten én republikeinen zich in het plot te kunnen vinden. Maar toch merkten we nadien dat er een zekere schroom was om het stuk definitief te produceren. Kwam dat omdat we de fascinatie voor de monarchie als een gekte aan de kaak stelden? Of was de laatste frappe, de afschaffing van die staatsvorm, menigeen toch te machtig? Want is er leven mogelijk zonder ons koningshuis? Kunnen we de dagen door zonder Beatrix, Máxima, Willem-Alexander en de rest van de niet onomstreden dynastie?

Het Republikeins Genootschap, in ‘Een klucht op Huis ten Bosch’ door kamenier Els hartgrondig verfoeid, vindt van wel en draagt onophoudelijk argumenten aan om de monarchie de wacht aan te zeggen. En het heeft nogal wat in handen: de erfopvolging als een inderdaad volkomen achterhaald instituut; de hoge kosten, zoals onder meer het opknappen van de paleizen, de Gouden Draak, alles van gemeenschapsgeld; het vermengen van boven- en onderwereld (Klaas Bruinsma); de genante affaire van Irenes dochter, Margarita. En dan hebben we het alleen nog over het recente heden. Wat waren er in het grijzere verleden niet voor onfrisse zaken: de Greet Hofmansaffaire, Lockheed, en verder terug: malversaties rond het afkopen van prins Hendriks maîtresses.

In een ander stuk van mijn hand: ‘Koningin Emma, redster van Oranje’, nog steeds gespeeld door soloactrice en lintjesdraagster Nel Kars, doet Emma’s eerste hofdame een aantal niet malse uitspraken over de familie. Zo zegt freule Elize van Ittersum in 1912 in haar kamer op Paleis Lange Voorhout tegen haar papegaai Bel Ami:

„Wist je trouwens, Bel Ami, omdat de Oranjes laag in hun wapen staan, konden ze nooit met oud-Nederlandse adel huwen. Vandaar hun noodgewongen getrouw met Duitse vorstjes. [...] Was mijn familie nog gefortuneerd, had ik dan de betrekking aangenomen? Was ik zo lang gebleven? Hoe dikwijls wilde ik niet er de brui aan geven. Nu op het Voorhout, ’s zomers op Soestdijk, met onze kleine hofcôterie, intiem, gezellig, maar toen…Onder Willem Drie was de hofdienst meestal een akelig corvee. Met háár verkeren, de toen nog jonge koningin, een genoegen, maar met hém… Haar liefheid, goeiigheid, inspanning om voor Henriëtte (een collega-hofdame) en mij het hofleven te veraangenamen. Moeilijk om niet verknocht aan haar te raken. Daarbij hadden wij met haar lot te doen, op moeten trekken met die – excusez le mot – oude brulaap. Geen sinecure. [...]

Enfin, Oranje-Nassau, die familie heeft van oudsher nooit uitgemunt in stijl en bienfaisance. Mijn zuster zegt altijd: au fond zijn het Duitse parvenues. Ook nog eens in hun stamlijn gebroken, geen eer aan te halen. Dat de koningin-moeder zich heeft ingebeeld dat geslacht coûte que coûte te handhaven, een hoogst dubieuze onderneming. Zelf is ze van mening: de dynastie is gered, nu ze ten langen leste toch zijn geassureerd van een troonopvolgster. Nu, ’t staat nog te bezien. [...]

Koningin Wilhelmina’s klachten over haar eigen eenzame jeugd, isolement, niet één vriendinnetje… Hoe ondankbaar jegens de koningin-moeder. Wat had ze dan gewild? Rondhossen met kinderen van de straat? Zeer terecht dat op haar twaalfde haar poppen werden weggenomen en ze werd aangesproken met mevrouw. Vanaf haar vaders dood was ze koningin. Verbazend trouwens hoe weinig ware allure ze ontleent aan haar positie. Niets gaat haar natuurlijk af, één en al krampachtigheid. Soms denk je heus: dat is geen vorstin, maar een mevrouwtje uit de burgerij.

Daarbij nog eens de prins-gemaal als – excusez le mot – een púmmel. Eerst in de couranten uitgemaakt voor Zwijnen-Heintje, vanwege zijn gejaag, en nu ook nog eens roddel en laster wegens zijn amoureuze escapades. Nu, de dames die van zijn fysieke attenties het voorwerp zijn, feliciteren behoeven we hen niet. Komt nog bij: zijn overmatige interesse in de padvinderij. Kan ’t dwazer. Hoe heeft de koningin-moeder zich zo kunnen vergissen?”

Kunnen wij hen desondanks missen, de Oranjes en hun affaires en schandalen? Wat zouden, nog afgezien aan sensatie, de media, diverse historici, schrijvers als Tomas Ross, Ger Beukenkamp en natuurlijk ikzelf aan broodwinning derven, wanneer de koninklijke familie zich niet geregeld zou misdragen? Komt bij dat, uiteraard, ook in een republiek het nodige valt te vitten en satiriseren, maar de wellust waarmee je bijvoorbeeld Balkenende zou willen aanpakken is toch stukken minder dan wanneer je een familie met dubieuze monarchale glamour tot je beschikking hebt.

En de geestelijke leegte die zou ontstaan bij de leden van alle Oranjeverenigingen – je wilt er nauwelijks aan denken. Ook de wildplassers in Amsterdam op Koninginnedag – wat moeten die?

Nee, ik ben bang dat we ze moeten houden, de Oranjes. Ons nationale bestaan zou stukken saaier zijn en vooral een totaal absurde dimensie enorm missen. Onlangs zag ik het hartverscheurende tafereel van prinses Amalia’s eerste schooldag, raakte ontroerd en verzuchtte: zo waarlijk helpe mij God almachtig.