Nederland is een schijtland

Ze zijn blank, niet arm en niet rijk, wonen in een probleemwijk, missen Pim Fortuyn en omarmen Rita Verdonk. Maar: „Ik weet niet wat Nederland zou moeten zonder buitenlanders. Dan gaat het hele land op zijn reet.”

Anja is op straat in haar gezicht geslagen. De rechter heeft de politiefoto’s voor zich. „Het zag er akelig uit”, zegt ze tegen Anja, een slanke vrouw met een blonde paardenstaart. Naast Anja zitten haar man René en iemand van Slachtofferhulp. De verdachte is niet verschenen, het kleine rechtzaaltje is verder leeg. De rechter kent Anja 300 euro schadevergoeding toe. „Dat lijkt mij een passende vergoeding voor de schade en ellende die u heeft ondervonden.”

Anja en René zijn een gelukkig stel uit een achterstandswijk. Ze kennen elkaar drie jaar en zijn één jaar getrouwd. Ze hebben elkaars naam op hun borst getatoeëerd. Anja heeft drie kinderen uit haar vorige relatie, René één – die bij zijn ex woont. Hun huurflat in Amersfoort is klein en gehorig, maar heeft een grote achtertuin voor de hortensia’s van Anja, de koikarpers van René en in de zomer een opblaaszwembad voor de kinderen. Ze hebben een Opel Astra, een caravan, een motor en een hond.

Toch zijn ze ontevreden. Niet over hun leven, maar over Nederland. De laatste keer dat ze stemden – voor ze elkaar via MSN hadden ontmoet – was op Pim Fortuyn toen hij net was vermoord. Sindsdien weten ze niet wat ze moeten stemmen. De PvdA, hun partij van huis uit, komt al lang niet meer in aanmerking. Anja ziet wel wat in Rita Verdonk. „Een toppertje. ‘Niet links, niet rechts, recht vooruit’.” Maar het liefst zouden ze Nederland achter zich laten. Verhuizen naar Hongarije, Bulgarije, Portugal. Een boerderijtje beginnen, of een camping.

Wat hebben ze tegen hun vaderland? Waarom voelen ze zich er niet thuis? Waarom stemden ze op Pim Fortuyn en horen ze voorzichtig bij de groeiende aanhang van Rita Verdonk, politicus van het jaar onder het volk, impopulair bij haar Haagse collega’s?

Met Anja is het sinds de Fortuyn-revolte in 2002 alleen maar beter gegaan – afgezien van de mishandeling. Vorig jaar is ze op huwelijksreis geweest naar de Dominicaanse Republiek. Het was de eerste keer dat ze vloog. Haar kinderen, die nog nooit op vakantie waren geweest, stonden afgelopen zomer drie weken op een Spaanse camping. Ze hoeft niet meer te werken, want ze kunnen leven van de baan van René bij een woningcorporatie. Anja heeft huishoudschool en werkte bij een slager, een bakker, de post. Geen werk waar ze naar terugverlangt. Nu haalt ze elke dag de kinderen van school, ook tussen de middag.

Dat is wat ze wil.

Maar toch.

„Ik vind Nederland een schijtland”, zegt Anja op een zaterdagochtend, naast René op de bank. „In januari gaan we weer een paar tientjes omhoog met de ziektekostenverzekering. Waar moet je dat van betalen dan. Het is voor een normale middenstander niet meer op te brengen. Je krijgt Amerikaanse taferelen. Dat mensen niet meer verzekerd zijn.”

Aan de muur van de kleine huiskamer hangen foto’s en knutselwerk van de kinderen. Luxaflex en plakplastic weren inkijk – de flat ligt direct aan de straat. De kinderen zijn aan het spelen op hun kamer, waar een tv en een spelcomputer staan. Af en toe verschijnt Tom (8) in de deuropening. „Mag ik snoep?” Het antwoord is nee. Er wordt niet onderhandeld.

Hoge prijzen, belastingen en accijnzen, dat is het belangrijkste verschil tussen Nederland en het buitenland. René, die is opgegroeid in Amsterdam, heeft een paar jaar met zijn vader in Portugal gewoond, op een oude boerderij. Daar konden ze bouwen wat ze wilden. „Huiskamer van 9 meter, dakterras, zwembad. Alles erop en eraan.” De wegenbelasting kostte hem daar 100 gulden per jaar, vertelt hij. Hier ben je 600 euro kwijt.

Over hun vakantie in Tsjechië vertelt Anja dat merkartikelen er zo goedkoop zijn. Allemaal nep natuurlijk, maar wat maakt het uit. René tikte er een broek op de kop van Kalkani. Kalkani, ze hadden er nooit van gehoord. Blijkt dat je hier voor zo’n broek 280 euro betaalt.

Wat vindt Anja van de hoogte van haar schadevergoeding?

Ze lacht. „Nou, het is wel een Wii.” Een spelcomputer. Die wil ze ervan kopen. Alleen heeft ze een half jaar na de zitting nog steeds het geld niet. Geeft niet, zegt ze, het ging haar niet om het geld. Ook niet om gerechtigheid. Ze zou uit zichzelf helemaal niet naar de rechter zijn gegaan. Het was een idee van Slachtofferhulp.

Wat haar wel boos maakt, wat ze oprecht niet begrijpt, is de lichte straf voor de dader. 240 euro, later wegens niet-betalen verhoogd tot 300 euro of zes dagen hechtenis. „Als je in Amerika iemand een stomp voor z’n knikker geeft, zit je 9 maanden vast. Hier is het ‘Foei. 240 euro’. Niet voor mij, maar voor de staat. Ik snap niet wat de staat ermee te maken heeft.”

René: „Als ik in Nederland een hekel aan iemand heb, zuip ik me klem, ga achter het stuur zitten en rij eroverheen. Taakstraf.”

Anja: „Ze moeten het hier doen zoals in Texas. Leven nemen, leven geven.”

René: „Laat ze maar bloeden. Iemand moet weten wat-ie gedaan heeft.”

Anja heeft zelf ook een keer voor de rechter gestaan. Haar ex had brilmonturen gekocht aan de deur, van een junk. Een vriendin die toevallig bij hen was, kocht er ook een. Ze liet er glazen inzetten bij de brillenzaak in de buurt. Bleken die monturen daar gestolen te zijn. In no time stond de politie op de stoep.

Ze weet dat het fout was. Maar wat doe je, als ze langskomen met piepkleine Nike’jes voor je kinderen, die in de winkel 50 euro kosten? En als je één keer wat koopt bij zo’n junk, weten ze je allemaal te vinden. Ze betaalde 650 gulden boete, voor heling. Nu koopt ze niet meer van junks.

De wijk waar ze wonen staat bekend als een probleemwijk. Het is een van de veertig wijken op ‘de lijst van Vogelaar’, waar het kabinet tientallen miljoenen in wil investeren. Anja woont er ruim tien jaar. René is bij haar ingetrokken.

Het is zo’n buurt waar altijd wat gebeurt, zegt Anja. Een jaar of zes geleden ging een vent met een groot slagersmes achter de kinderen aan. Pas werd ze om vijf uur ’s ochtends wakker van een klap. Ze ging uit bed en keek door de luxaflex naar buiten, recht in het gezicht van een ME’er. Ze zag hoe een arrestatieteam met bivakmutsen een flatbewoner meenam. Onzin, volgens haar. „Anderhalf uur later zat hij weer thuis. Het is een scheet van een man, er was niets aan de hand. Maar ze hadden een anonieme tip gehad, over wapens ofzo.”

De dader van haar mishandeling woont ook om de hoek. Anja kende hem wel. Hij is van Turkse afkomst . Als ze langs zijn flat liep met de hond, was hij daar vaak aan het prutsen aan een fiets. Dan zeiden ze gedag.

Op een zomeravond hadden ze gebarbecued in de tuin. Tom kwam zeggen dat hij was geslagen bij de voetbalkooi. Anja liep erheen met haar broer, die op bezoek was. Het was warm, druk en chaotisch. Iemand gooide een waterpistool naar haar broer. Hij wilde erop af, zij hield hem tegen. Ze kwam terecht tussen haar broer en de man van om de hoek. En toen - baf, twee stompen in haar gezicht. Haar lip moest in het ziekenhuis worden gehecht.

„In principe kun je makkelijk even bij zo iemand langsgaan”, zegt René. „Maar je kinderen lopen hier rond, je moet hier toch wonen.” Ze zien de man nog steeds bijna dagelijks, maar hebben hem nooit gesproken.

Voor Anja en René is hun buurt een plaats om te wonen, verder doen ze er weinig. René werkt buiten de stad, hun familie en vrienden wonen elders. Ze komen niet bij hun buren over de vloer, hoewel er wel contact is. „Vooral in de zomer, als iedereen buiten is”, zegt Anja. „Dat je bij elkaar een bakkie doet in de tuin.” Boodschappen doet Anja meestal buiten de wijk, in de buurt van de school van haar jongste kinderen. René gaat een enkele keer naar de computerwinkel en de pizzeria om de hoek.

Ze kunnen goed opschieten met hun Surinaamse bovenbuurman maar van de meeste andere bewoners moeten ze niet veel hebben. „Mensen zijn hier verschrikkelijk schijnheilig”, zegt Anja. „Zit er weer een kras op je auto. Is je naambordje weer gesloopt. Je wéét dat dat overdag is gebeurd. Maar niemand heeft wat gezien.” Er is ook een keer zeepsop in hun tuinvijver gegooid. Van de vijftig koikarpers overleefden er twaalf. Er is met een zwarte stift ‘kankerhoer rot op’ op de voordeur geschreven. Daar heeft Anja nog aangifte van gedaan.

Ze vertelt het laconiek, Marlboro’s rokend op de bank. Ze denkt dat sommige mensen jaloers zijn op haar geluk. Of boos omdat ze hun geen geld meer leent. Ze voelt zich niet bedreigd en het is geen reden om te verhuizen. „Ik heb er maling aan. Ik vind het zielig als mensen zo leven.” Ze zoekt geen zondebok, wijst niet naar een bevolkingsgroep. Ze zegt ook niet dat de gemeente of de politie er iets aan moeten doen. En al helemaal niet de politiek. Politiek is iets van de tv.

Anja kijkt elke dag naar het journaal. Ze wil weten wat er gebeurt, waar het geld heengaat. Heel veel verdwijnt naar het buitenland, valt haar op. „Moet er weer een land gered worden omdat er wind overheen is gewaaid.” Miljarden gaan naar Europa terwijl er Nederlanders zijn die het gas en licht niet kunnen betalen. „En als je schulden hebt, kun je hulp krijgen bij www.nogwat. Dat staat dan weer helemaal los van de Nederlandse staat.” Zag ze ook op de tv.

Premier Balkenende zag ze laatst in het programma ‘De 25 meest genante tv-momenten aller tijden’ van SBS6. „Dat hij op zijn plaat ging met zijn skateboard.” Ze heeft niets met hem. „Alles wat die man verzint: je schiet er niets mee op.”

Als Pim Fortuyn was gekozen, zegt René, dan hadden we een heel ander Nederland gehad.

Hij had het gered hoor, zegt Anja. Hij was minister-president geworden.

Ze weet dat zijn moordenaar vastzit, en ze zegt dat ze het niet mag zeggen, maar ze doet het toch: dat ze ergens nog steeds denkt dat de Tweede Kamer bij de moord betrokken was.

„Pim zei: vol is vol. Zo ís het gewoon. Wij hebben ons ingeschreven voor een groter huis – je moet zo vijf jaar wachten. Het zijn niet alleen de Turken en Marokkanen, het begint nu ook vol te lopen met Polen. Straks misschien Tsjechen en anderen die voor een appel en een ei hier komen werken. En ze krijgen allemaal door hoe goed het hier is geregeld, dus dan blijven ze zitten.”

Vorig jaar hebben ze overwogen op Geert Wilders te stemmen, maar dat hebben ze niet gedaan. „Weet je wat het is”, zegt René. „Het is een hele verkeerde gedachte om iedere medelander te bestempelen als slecht. Je hebt goeie en slechte.”

„Wilders trekt ze over een kam”, zegt Anja. „Maar ik ben het er wel mee eens dat ze moeten integreren. Dat moeten wij ook als we ergens anders gaan wonen.”

René: „Ik hoefde het in Portugal niet in mijn hoofd te halen keihard André Hazes te draaien. Stonden de buren meteen voor de deur.”

Anja: „Dachten ze dat er geslacht werd.”

René: „Moet je hier komen op vrijdagmiddag, twee uur. Staat m’n hond te janken in de tuin.” (Oproep tot gebed van de Turkse moskee, honderd meter verderop.)

Maar, zegt René ook: „Ik weet niet wat Nederland zou moeten doen zonder buitenlanders. Dan zou het hele land op zijn reet gaan.”

Rita Verdonk is voor hen het beste alternatief. Maar veel hoop dat ze aan de macht komt, hebben ze niet. „Iemand die eigenlijk een gevaar is voor de politiek, die vliegt eruit”, zegt René. „Dat is het jammere. En doet de politiek het niet, dan is er wel weer een moslim van prik ik heb je.”

Maandagmiddag, tegen drieën. Anja gaat Sharon (10) en Tom ophalen van school. Felicia van 11 zit op een speciale school omdat ze moeite heeft met lezen – zij kan lopend naar huis. In de tuin staat een groen crossmotortje, het cadeau voor Toms achtste verjaardag. „Verwénd, die kinderen”, zegt Anja. „Dat ding kan 60 kilometer per uur.” Als ze in de auto stapt, loopt een Marokkaanse flatbewoner langs. „Hé, buurvrouw!”, roept hij hartelijk.

Haar kinderen lezen alle drie moeilijk, vertelt Anja achter het stuur. „Logisch. Als ze thuiskwamen was het meteen tv aan, Playstation aan.” Nu moeten ze van Anja na schooltijd eerst een uur lezen.

De kinderen doen niet aan sport, vertellen ze later, thuis op de bank. Spelen ze graag buiten?

„Mag niet van mama”, zegt Tom. De voetbalkooi is verboden terrein sinds die man hun moeder daar geslagen heeft. En de speeltuin?

„Mag ook niet”, zegt Felicia.

Anja: „Nee, dan moeten jullie die drukke weg over.”

Felicia: „Die moet ik toch ook over als ik naar het buurthuis ga.” Sinds kort gaat ze daar op woensdag knutselen.

Anja: „Ja, maar jij bent elf.”

Sharon: „Ik ben tien! Ah mam, mogen we een keer naar de speeltuin?”

Terwijl de kinderen lezen, maakt Anja een ‘senseootje’ in de piepkleine keuken. Ze zegt dat het meer aan haar ligt dan aan de buurt dat de kinderen zo vaak binnen zijn. „Ik ben altijd heel erg beschermend geweest. Waar ik was, waren zij.”

Vorig jaar hebben Anja en René serieus overwogen de twee jongsten naar de buurtschool te laten gaan, zodat ze zouden kunnen lopen naar school. Ze zijn zelfs naar een voorlichtingsbijeenkomst geweest. Er was een witte moeder die meer witte kinderen wilde werven voor de school. En een wethouder die vertelde dat de school zou worden uitgebreid en verbouwd. Anja zag het wel zitten, ook al is de school nu nog nagenoeg zwart.

Anja: „Omdat we in zo’n buurt wonen, wil je je kinderen ook…”

René: „…integreren…”

Anja: „Dat hoeven wij niet te doen, maar… hoe noem je dat nou… leren over andere culturen. Zoals buitenlanders iets van ons leren, kunnen kinderen iets van buitenlanders leren. Onze generatie loopt achter de feiten aan. Zij spelen sowieso met Marokkanen en Surinamers.”

De overstap is niet doorgegaan. De kinderen protesteerden dat ze hun vrienden kwijt zouden raken. En het nieuwe gebouw staat er nog steeds niet. De bouw is nog niet eens begonnen. Ze hebben er niets meer over gehoord.

Daar wordt hij dus sarcastisch van, zegt René. „Zo gaat het in heel Nederland, denk ik dan. Je wordt gelokt door mooie verhalen en er gebeurt helemaal niks.”