Maria is weer tevreden

In 1995 begonnen Mariabeelden te huilen, eerst in Brunssum, toen in Oirsbeek. Nu concurreren ze met elkaar.

Gerda Coumans (79) is een gelovige vrouw en sinds 12,5 jaar gelukkig. Echt gelukkig. Ze straalt als ze over de zegeningen spreekt die haar ten deel zijn gevallen, over de wonderen die hier, in haar nederige woonkamer, hebben plaatsgehad. Ze grist een foto van de vensterbank met daarop een meisje van ongeveer zestien jaar oud in een rolstoel. Een paar jaar geleden kwam ze met haar moeder naar deze huiskamerkapel in Brunssum. Samen baden ze tot het beeldje van Onze Lieve Vrouw van Fatima, het beeldje dat tot nu toe vijftien keer bloedtranen heeft geweend, vertelt ze. Midden in de nacht, thuis in Zeeland, werd het meisje gewekt door de stem van Maria, die zei: „Vrees niet mijn kind, sta op.” Het meisje zei wel te willen, maar niet te kunnen en bleef liggen. Daarna zei Maria weer: „Vrees niet mijn kind, sta op.” Het meisje ging zitten, maar stond nog steeds niet op. Maria zei toen voor de derde maal en dit keer dwingender: „Vrees niet mijn kind, sta nu op!” En het meisje stond op en kon lopen. En ze liep de hele nacht door het kamp. Als dank kreeg de familie Coumans een groot Mariabeeld cadeau, dat naast de foto van het meisje voor het huiskamerraam prijkt.

Het is een klein wonder dat er nog een plekje is gevonden voor dat beeld. Het voorste deel van de toch al kleine woonkamer (circa twintig vierkante meter) is omgebouwd tot een huiskapel met een stuk of vijftien tweedehands kerkstoelen, beelden ter grootte van opgeschoten brugklassers, kruizen in allerlei maten, schilderijen van Maria en pater Pio, wandkleedjes met de beeltenis van Paus Johannes Paulus II, tientallen foto’s van zieken en hulpbehoevenden, rijen noveenkaarsen en bossen bloemen.

Op anderhalve meter links van de loeiende gaskachel staat het altaar met daarin het 44 centimeter hoge beeldje van Maria. Onder haar ogen zit een paar bruinige vlekjes. Rondom het hoofd is een aureooltje geconstrueerd van kleurige lichtjes. Onder het altaar staan twee foto’s. Eén van de ouders, broer en zus van Gerda Coumans. Allen zijn overleden; de broer en zus vroegtijdig aan leukemie. De andere foto is van Frans Bauer, die „wel eens langskomt als hij in de buurt is”. In het overgebleven, achterste deel van de huiskamer vindt het dagelijks leven plaats. Daar rookt echtgenoot Jan (75) zijn sjekkies in zijn luie stoel, ingebouwd door de tv, een eettafel, bankstel, wandkast, bijzettafel en een grote radio die muziek van Limburgse bodem de kamer in tettert.

Vanaf het moment dat Maria begon te wenen, op 27 juni 1995 om half elf ’s avonds, is deze woonkamer min of meer publiek bezit geworden. In die nieuwsluwe zomer trok ‘het wonder van Brunssum’ veel bekijks van media, pelgrims en buurtgenoten van de oude ‘mijnwerkerskolonie’. Sommigen kwamen ook voor mevrouw Coumans, die ze genezende gaven toeschreven. „Maar ik ben geen Jomanda, hoor” giechelt ze.

Toen de ergste drukte voorbij was, is er een bordje voor het raam gezet waarop staat dat ze iedere dag van twee uur ’s middags tot negen uur ’s avonds open zijn. Maar Coumans wil niet dat pelgrims voor een dichte deur staan. Ze gaat daarom zelden de deur nog uit. En ze zorgt ervoor dat er altijd snel een vers bakje koffie op tafel staat. Ze vindt het niet erg. Ze heeft veel tegenslag gehad in haar leven – een man en twee kinderen verloren. Nu is ze gelukkig en kan ‘haar Maria’ ook anderen gelukkig maken.

Op dinsdagavond pruttelt de koffie voor een gebedsgroep uit Genk in Belgisch Limburg. Het is de familie Coopmans, naar eigen zeggen pelgrims van het eerste uur. Vader Carel (72), zijn helderziende zoon Dirk en diens vrouw lopen heel wat gebedsgroepen af, maar hier komen ze het liefst. Sinds kort komt Carels zwager ook mee, want die heeft prostaatkanker. Huub, de zoon van Gerda, schuift meestal ook aan. Carel Coopmans, klein van stuk en met een verkreukeld en vrolijk gezicht, zegt de laatste tijd wat minder vaak te kunnen komen door de „dure diesel” en verschillende „opnames in het hospitaal”. Hij heeft Maria geregeld zien wenen. Hij komt hier om te bidden voor de zieken die hij kent. En soms bidt hij voor zichzelf, zeker als een hospitaalbezoek aanstaande is. Coopmans heeft de opkomst van pelgrims aanmerkelijk zien slinken. „Zolang als wij het volhouden, zijn er niet veel. De mensen komen hier, maar als ze niet snel genoeg krijgen wat ze verlangen, gaan ze naar een ander wonder.”

Zoon Dirk maant zijn vader „z’n tas koffie leeg te drinken.” Er moet gebeden worden. Dirk knielt helemaal vooraan bij het beeld en wordt geflankeerd door Gerda. De anderen nemen achterin plaats. Jan ruimt de kopjes af, trekt zich terug in de keuken en laat zich voorlopig niet meer zien. Gerda gaat voor in het gebed en dreunt zeker vijf keer achter elkaar het Onze Vader en Wees Gegroetjes op.

Na tien minuten neemt Carel Coopmans het groepsgebed over, na enkele minuten gevolgd door zijn zoon en later door Huub.

Terwijl bij de gebedsgroep het vuur van het bidden langzaam dooft, blijft Gerda gepassioneerd met Onze Vaders en Wees Gegroetjes strooien. Na drie kwartier draait ze zich om en maakt abrupt een einde aan de dienst met een ferm: „God zij met jullie allemaal.” Als ze naar de kopjes verse koffie loopt, stelt ze dat Maria weer tevreden is. En dat ze zichzelf gelukkig prijst met deze groep. „Deze mensen hebben mij nog nooit in de steek gelaten.’’

Huub laat zich met een zucht in de bank vallen en vertelt dat het wonder ook zijn leven op zijn kop heeft gezet. Hij heeft nooit tekenlessen gehad, maar sinds Maria is gaan wenen, kan hij schilderen als de beste. Hij heeft tientallen werken à la Bob Ross gemaakt. Schilderen geeft hem rust. Hij kan er niet goed tegen als mensen van buitenaf hem onder druk zetten. Daarom zit hij ook al een paar jaar in de WAO. ‘Ze’ willen dat hij weer aan het werk gaat, maar Huub raakt gestresst van die eisen. Hij is op zoek naar een expositieruimte, waar hij ook zijn keramiek kan tentoonstellen, want ook dat kon hij ineens heel goed.

Zijn zus Suzannah Dahmen (53) komt hier al jaren niet meer over de vloer, hoewel ze in vroomheid niet onder doet voor haar moeder. Toen in 1995 de gemoederen in de familie en buurt verhit raakten – in het begin vlogen de bakstenen door de ramen – begon ook een concurrentiestrijd tussen moeder en dochter. Twee maanden nadat Gerda’s beeld huilde, claimde dochter Suzannah dat haar Fatima-beeld, uit dezelfde serie, ook bloedtranen liet. Het kwam tot een breuk omdat ze de echtheid van elkaars wonderen betwistten. Samen met haar vriend Leon Meessen is Suzannah haar eigen heiligdom begonnen, een paar kilometer verderop in Oirsbeek.

Ook hun huisje is volgestouwd met beelden en prenten. Ook hun muren hangen vol met afbeeldingen van Maria en pater Pio. In alle ooghoeken bloeddruppels. Zelfs in de keuken staat een klein altaar. Leon (51) is een hartelijke en rusteloze man. Tijdens het spreken loopt hij geagiteerd heen en weer, terwijl hij zijn pijp stopt en aan zijn grijze baard plukt. Suzannah heeft verband om haar handen „wegens mijn stigmata”. Ze is boos. Op haar familie, die ze van oplichterij beschuldigt. Op de vervelende jongeren in het dorp die hen lastigvallen. En op de kerk, die hen continu dwars zit.

Suzannah zegt in het voorjaar van 1995 een visioen te hebben gekregen. Jezus kwam ’s nachts aan haar bed. Hij zat helemaal onder het bloed en zei: „Pak die tak, laat hem zegenen op dinsdag en een herder zal hem halen.” Die dinsdag begon haar beeld te huilen. Daarna bleven de wonderen – en daarmee de bezoekers – komen. Pelgrims werden genezen. Suzannah en Leon kregen waarschuwende boodschappen door over persoonlijke ongelukken van bekenden en aanstaande rampen bij de vliegvelden Schinveld en Brunssum, waarmee ze een aantal keren de krant haalde. Met bloed doordrenkte hosties vielen uit de hemel.

Leon begrijpt dat buitenstaanders het ‘wat extreem’ vinden wat in Oirsbeek gebeurt. „Er hebben hier nu eenmaal veel wonderen plaatsgevonden. Het is een zwaar kruis dat we moeten dragen en dat kruis wordt door de mensen om ons heen alleen maar zwaarder gemaakt. Ook onze kinderen hebben een andere weg gekozen. Alles is ondergeschikt geraakt aan de wonderen van Maria. Soms zitten we op het randje van wat we aankunnen. Geestelijk, maar ook financieel, want we kunnen niet meer werken. We bezwijken bijna.”

De laatste jaren is de stroom pelgrims naar Oirsbeek opgedroogd. Op iedere dertiende dag van de maand houden ze een dienst. Soms komt een aantal mensen, meestal vrouwen, uit de directe omgeving of pelgrims uit Duitsland of België. En een enkele keer komt er een pater de dienst leiden, een van de weinige geestelijken die zich nog wel met het echtpaar willen inlaten.

Pater Touw vind je daar niet tussen. Hij is verbaasd dat de bedevaarten naar Brunssum en Oirsbeek nog steeds leven, ook al is het in steeds geringere mate. Touw deed ten tijde van de geclaimde mirakels onderzoek voor de kerk naar ‘paranormale verschijnselen en bijverschijnselen van de mystiek.’ Aan het wonder van Oirsbeek is hij niet eens begonnen. Voor hem stond vrijwel meteen al vast dat dat niet echt was.

Het huilende beeld van Brunssum onderzocht hij in het laboratorium van het ziekenhuis in Heerlen. Hij voerde ook gesprekken met getuigen en mensen uit de omgeving van de familie Coumans. Hij kwam spoedig tot de conclusie dat Gerda vermoedelijk het slachtoffer is geworden van een grap, uitgehaald door iemand uit haar naaste omgeving. De bloedtranen waren volgens hem gesmolten hars, waarmee de oogbolletjes aan het beeld waren vastgehecht.

Als de pers niet massaal naar Brunssum was getogen, zou pater Touw na enige weken even rustig met de familie om de tafel zijn gaan zitten. Maar die kon en wilde niet meer terug. „Pastorale begeleiding bleek lastig bij dit gezin. De familie was maar op één ding uit: erkenning”, aldus Touw. „Wat in Brunssum gebeurt, wijst de kerk af. Het is een vorm van bijgeloof. Je ziet het ook aan de mensen die op deze wonderen afkomen. Daar zitten bijvoorbeeld helderzienden bij. In de vorige eeuw zijn zeker 1500 tot 2000 wonderen beeldjes en verschijningen geclaimd, waarvan er uiteindelijk maar twee of drie door de kerk zijn erkend.”

Enkele geestelijken binnen de kerk hebben volgens Touw een kwalijke rol gespeeld. „Een plaatselijke pastoor beschouwde de wereld als een duister oord waarin het alleen maar goed is als mensen in een huilende Maria geloven. Een missiepater heeft meegeholpen met een processie.”

Gerda Coumans heeft met de kerk niet veel meer op. „Het doet me soms zo’n verdriet dat de geestelijken wegblijven. Ze denken dat Maria niet gehuild heeft. Ze zien dat niet, omdat zelfs deze geestelijken niet echt meer geloven”, zegt ze fel. „Waarom denk je dat Maria hier is verschenen? Maria wil helemaal geen grote rijke basilieken. Maria verschijnt bij arme en nederige mensen.” Coumans gaat niet meer naar de kerk. „Je moet weten, ik ben een hele gelovige vrouw.”

Het twaalfeneenhalfjarig jubileum zal de familie niet vieren. Gerda: „Maria huilt niet voor niets. Ze huilt voor het leed van de wereld, ze huilt voor ons. Dan ga je geen feestje geven.”