Kerst puzzel

Enige tijd geleden bracht deze krant het bericht dat je geen beter onderwijs krijgt door docenten meer te betalen. Dit was de conclusie van Sir Michael Barber, een van de auteurs van het onderzoeksrapport van McKinsey How the world’s best-performing school systems come out on top. Hoe kwamen Sir Michael en consorten tot deze conclusie?

De best-performing schools vinden we in Finland, Singapore en Zuid-Korea. Het bedrag dat in die landen aan het middelbaar onderwijs wordt besteed, bedraagt ongeveer 7.500 dollar per leerling per jaar. Voor Nederland geldt hetzelfde. Het gaat er dus niet om wat je leraren betaalt. Het verschil in kwaliteit is een gevolg van iets anders, namelijk van het feit dat in die best presterende landen de beste studenten leraar worden. De salarissen verhogen is, aldus het gerenommeerde adviesbureau McKinsey, dus niet het geëigende middel om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Het is immers niet een kwestie van geld, maar van de kwaliteit van de leraren.

Een nogal simpele conclusie. Alsof 7.500 dollar per leerling betekent dat ook de salarissen gelijk zijn, en alsof de keuze voor het leraarsberoep niet afhankelijk is van de arbeidsmarkt in zijn geheel, van wat anderen verdienen in vergelijkbare beroepen. McKinsey ontleent dat bedrag van 7.500 dollar aan de gegevens die de OESO verzamelt en jaarlijks publiceert in een rapport onder de titel Education at a Glance. Die rapporten bevatten talloze tabellen en die vertellen gezamenlijk een verhaal. Om cijfers op waarde te kunnen schatten moet je ze proberen te interpreteren, wat zo veel wil zeggen als zien in samenhang met andere gegevens. Zo kunnen de bestedingen per leerling niet los worden gezien van de wijze waarop dat geld wordt besteed.

Interessant in dit verband is de tabel over de ‘ratio of students to teaching staff’, anders gezegd de verhouding tussen aantal leerlingen en leraren. Die ligt in Nederland wat het voortgezet onderwijs betreft op 1 op 15,8. Nergens in de EU moeten de scholen het zien te redden met zo weinig leraren. Ter vergelijking: in Frankrijk bedraagt het aantal leerlingen per leraar 12,1, in België 9,6 en in Finland 13,1. Alleen Duitsland dat in internationale vergelijkingen van leerlingenprestaties altijd zeer zwak scoort, komt met 15,1 bij ons in de buurt. In feite is de situatie nog veel dramatischer dan deze cijfers suggereren. Niet alleen zijn de leraren nergens zo dun gezaaid als in het Nederlandse voortgezet onderwijs, door die weinige leraren wordt ook nog een heleboel tijd gespendeerd aan middle management. Ik ben er van overtuigd dat ook wat dit middle managen betreft Nederland Europees kampioen is.

Wat mij verder opvalt is dat in Finland de meest intensieve begeleiding plaatsvindt in de onderbouw. Daar is de docent-leerling ratio 1:10. Eigenlijk heel logisch, jongeren in de leeftijd van 12-15 jaar moet je intensief begeleiden. Die fase is cruciaal voor de verdere schoolloopbaan. Als het daar mis gaat, gaat het in de regel goed mis.

Mijn conclusie die ik McKinsey als gratis advies meegeef: of de beste studenten kiezen voor een baan in het onderwijs is afhankelijk van de vraag hoe aantrekkelijk het is daar te werken. Hoe minder aantrekkelijk het werk in vergelijking met mogelijke alternatieven, hoe meer je moet betalen om toch nog goede mensen te krijgen. Zo werkt de arbeidsmarkt nu eenmaal. Dat wisten jullie bij McKinsey natuurlijk al lang, en mijn vraag is dan ook: waarom sturen jullie dan zo’n eendimensionaal onzinverhaal de wereld in?

Deze vraag geef ik u, lezer, voor de Kerstdagen mee om over na te denken.

lgm.prick@worldonline.nl