‘Je leert je af te sluiten’

‘Er was een jong meisje in het kamp dat ’s nachts in haar tent was verkracht door een man met een kalasjnikov. Ze was zwanger geraakt en dat betekende dat haar leven gevaar liep. Haar broers zouden haar vermoorden als ze er achter kwamen dat ze geen maagd meer was. Ten einde raad aborteerde ze zelf het kind.

Toen ik zomer vorig jaar in het Oure Cassoni vluchtelingenkamp op de grens van Darfur en Tsjaad arriveerde, vroeg ik me wel even af waaraan ik begonnen was. Ik ging in opdracht van SOS Kinderdorpen een psychosociale hulppost opzetten, maar wist eigenlijk niet waar ik moest beginnen. Ik werd overweldigd door de troosteloosheid van het kamp. Haveloze tenten zo ver als je oog reikt. Mensenmassa’s. En verder alleen maar zand, zand, zand.

Ik kwam uit Kameroen waar ik drie jaar als psychiatrisch verpleegkundige had samengewerkt met een traditioneel genezer. Kameroen was de hemel vergeleken bij Tsjaad. In Kameroen is alles groen, in Tsjaad is alleen maar zand en stof. Die zomer was het er ’s ochtends om half negen al 57 graden. Ik dronk vijf liter water per dag en nog moest ik niet naar de wc. Er was in mijn huisje van modderstenen geen stromend water en alleen ’s avonds had ik drie uur elektriciteit van een oude generator die een helse herrie maakte.

Gelukkig weet ik me wel te redden onder barre omstandigheden. Ik heb stage gelopen in een leprakolonie op Kalimantan. Dat was trouwens bepalend voor mijn leven. Eenmaal terug in Nederland dacht ik: iedereen kan doen wat ik hier doe. In Derde Wereldlanden kan ik veel meer betekenen. Daar is mijn werk veel concreter en hoef ik me niet aan allerlei regeltjes te houden.

Het Oure Cassoni vluchtelingenkamp is een van de moeilijkste kampen. Het ligt het verst verwijderd van het coördinatiecentrum in een gebied waar voortdurend wordt gevochten door diverse rebellengroepen en legers. Het is bovendien een heel groot kamp – er zitten 27.000 Darfuri die heel veel hebben meegemaakt. Ze zijn er getuige van geweest hoe hun familieleden door de Janjaweed zijn verkracht en vermoord, ze hebben hun dorpen in vlammen zien opgaan. Ze zijn alles kwijt.

Toen ik daar arriveerde, was Oure Cassoni ook het kamp met het grootste aantal psychiatrische patiënten. Maar er was nog niets aan psychosociale hulpverlening gedaan. Ik vond het een uitdaging. Ik was ook nieuwsgierig. Je kent die vluchtelingenkampen van de televisie, maar hoe zou het zijn om daar te werken?

Het eerste wat ik deed, was een team samenstellen. In heel Tsjaad, een land met tien miljoen mensen, bleek maar één psychiater te zijn, maar ik kon toch regelen dat zijn assistent voor mij kwam werken. Hij was bevoegd om medicatie voor te schrijven. Ik nam een maatschappelijk werkster in dienst en zes vluchtelingen uit het kamp. Zij vormden een aanspreekpunt voor de mensen en konden helpen met vertalen.

Ik begon met het afleggen van huisbezoeken, of beter: tentbezoeken. Ik had een lijst van mensen met psychiatrische klachten en ging bij iedereen langs. Het was ongelofelijk hoe gastvrij die families waren. Ze waren zo dankbaar dat we kwamen luisteren. Ze boden ons altijd eten en drinken aan. Ik at alles wat me werd aangeboden en dat viel vaak niet mee. Kameel met zand.

Er waren veel schrijnende gevallen. Psychiatrische patiënten die waren vastgebonden aan een struik of een tentpaal. Ik werd naar een oude vrouw gebracht wier tent buiten het kamp was geplaatst omdat de mensen bang voor haar waren. Daar woonde ze dan met haar twee getraumatiseerde dochters, die ze ’s nachts te lijf ging met alles wat ze kon vinden. Haar benen waren aan elkaar vastgeketend. Toen ik naar haar toeliep, wilden ze me tegen houden. Ze zou gevaarlijk zijn. Ik dacht: hoe kan een oud vrouwtje met vastgeketende benen nou gevaarlijk zijn?

Ik ben niet bang voor psychiatrische patiënten. Ik vind ze vaak erg leuk. Ze zijn eerlijk en kwetsbaar. Ze hebben niets te verliezen, ze bedonderen je niet. Dus ik ben gewoon naast die vrouw gaan zitten. Ze glimlachte en maakte aanstalten om thee te zetten. Ze was erg psychotisch en zag overal slangen. Ik heb ervoor gezorgd dat ze anti-psychotica kreeg, zodat ze kalmeerde. Haar dochters kregen een eigen tentje zodat ze ’s nachts rust hadden.

Een belangrijk deel van mijn werk was mensen uitleggen hoe ze moesten omgaan met psychiatrische patiënten. Dat wisten ze niet. Ze waren er bang voor. Zo was er een vrouw van wie haar familie zei dat ze blind en doof was. Maar dat was niet zo. Ze was simpelweg geblokkeerd. Ik heb haar niet alleen medicijnen gegeven, maar haar familie ook gestimuleerd met haar te wandelen en haar te betrekken bij het dagelijks leven. Na een maand begon ze te praten. En na vier maanden zorgde ze weer voor haar gezin.

Voor de getraumatiseerde kinderen maakten we een speciale ruimte waar ze speltherapie kregen. Veel kinderen in het kamp hadden nachtmerries of plasten in bed. Sommigen waren heel agressief, anderen juist heel stil en angstig. In het begin wisten ze niet goed wat ze met het speelgoed aanmoesten. Dan bleven ze stil zitten. Of ze maakten het speelgoed kapot. Maar dan lieten we zien dat dat niet erg was, dat kapotte dingen weer gemaakt kunnen worden. Op den duur kwamen de kinderen los. Ik had een grote babypop en aanvankelijk waren de kinderen daar bang voor, ze dachten dat het mijn kind was. Maar die pop werd een grote favoriet. Ook de boekjes van Bert en Ernie vonden ze prachtig. Want Bert is net zo goed bang in het donker en Ernies kapotte theepot wordt ook weer gemaakt. De kinderen hadden zoveel baat bij het spelen dat er op een gegeven moment ook ouders wilden komen spelen.

Heel veel mensen in het kamp waren sceptisch over wat ik daar kwam doen. Ik kwam immers niets brengen. Geen dekens, geen tenten. Maar door de medicijnen, de aandacht en therapieën knapten sommige mensen echt op. Toen ik afscheid nam, zeiden ze tegen me: ‘Toen je kwam, dachten we: die vrouw droomt. Maar we hebben wonderen gezien’.

Het is een druppel op een gloeiende plaat, ja. Daar ben ik me van bewust. Die mensen verkeren in een uitzichtloze situatie. Ze zijn alles kwijt en het is onduidelijk of ze ooit nog naar hun land kunnen terugkeren. Maar ik heb het leven van sommige mensen daar wel menswaardiger kunnen maken. Ieder mens die je helpt, is er een. En als je een kind helpt, help je ook de familie.

Ik heb dit werk anderhalf jaar gedaan. Dat was wel het maximale. Ik ben daar twintig kilo afgevallen en weer gaan roken. Ik werkte zeven dagen per week, veertien uur per dag. Ik deed alles, van de logistiek en de financiën tot het kopen van kamelenpoep om de muren van mijn huis te verhogen omdat ze anders zouden wegspoelen in de regentijd. Je leert je af te sluiten, maar toch greep alle ellende me aan. Ik was soms heel erg moe en dan verlangde ik naar mijn eigen Hollandse bed. Vooral toen de rebellen en het Soedanese leger vlakbij slaags raakte en er Antonov-bommenwerpers overvlogen die bommen lieten vallen. Ik voelde toen een loodzware verantwoordelijkheid voor mijn team en wilde eigenlijk gewoon even Yolanda zijn en niet de hulpverlener. Ik snakte naar de gewone, alledaagse mailtjes van mijn vrienden en familie. Want ik zat ergens waar nooit iets gewoon was, waar niets vanzelf ging en het regelen van de simpelste dingen heel veel tijd kostte.

Ik ben afgelopen zomer teruggekeerd naar Nederland. Ik werk nu in de jeugdpsychiatrie en in de zorg voor lichamelijk gehandicapten. Daarvoor heb ik flink de knop moeten omdraaien. Al die regeltjes! Vooral die hygiëneregels kwamen belachelijk op me over. Dat vleeswaren en kaas die op tafel hebben gestaan niet terug in de koeling mogen. Het verschil tussen hier en het kamp is te groot. Ik merk dat er nu alweer wat gaat kriebelen. Maar ik moet nog even hier blijven. Echt rust heb ik nog niet gehad.

Ik denk vaak aan het kamp. Aan het jongetje dat niet meer praatte en dat was vastgebonden aan een paal. Hij kon niet naar de speltherapie lopen omdat zijn benen vergroeid waren. En als zijn moeder hem wilde dragen, beet hij haar. We hebben haar een kruiwagen gegeven om hem in te vervoeren, dan kon hij toch komen spelen. Ik weet nog hoe hij van muziek genoot. Dan klapte hij in zijn handen.

Laatst zat ik te zappen en toen viel ik in een programma waarin een groep prachtig aangeklede Afrikaanse vrouwen vrolijk aan het zingen waren. Toen barstte ik spontaan in huilen uit. Zo hoort het, dacht ik. Zo wil ik hen zien.”