‘In loondienst ben je een nummer’

Gouda december 2007 "Startende Ondernemer" Loodgieter Mark Hoogendorp. Foto: Walter Herfst Herfst, Walter

‘Op vrijdagmiddag zei ik: ik kap ermee. Op maandag had ik een ander vak. Vijftien jaar lang had ik systeemplafonds gebouwd. Samen met mijn vader en mijn broer, alle drie als eigen baas. Maar ik werd chagrijnig. In de bouw raak je afgestompt. Het werk is eentonig. En het moet altijd snel klaar zijn, dus je moet continu overwerken. Ik werkte 60 uur in de week. Dan weer in Groningen, dan in Limburg. Op jaarbasis maakte ik een heleboel kilometers.

Toen de kleine werd geboren, kreeg ik er nog minder zin in. Ik dacht: als ik zo doorga, kan ik de scheidingspapieren aanvragen. Ik moet vaker thuis zijn. Dus die vrijdag zei ik: ik kap ermee. Ik meende het. Op zaterdag kwam mijn maat Robert langs. Ik ken hem van de lagere school en hij heeft een rioleringsbedrijf. Robert zei: ik heb maandag mensen nodig. Oké, zei ik, op mij kun je rekenen. Ik ben hem gaan helpen met een klus. Niet in loondienst, maar zelfstandig. In loondienst wil ik niet, want dan ben je een nummer. Zo is het gebleven. Ik heb me bij de Kamer van Koophandel laten inschrijven met een nieuw bedrijf.

Ik leg riolen aan, ik doe onderhoud en reparaties, wat ze maar willen. Vaak met eigen gereedschap, maar ik huur ook wel eens wat. De boren bijvoorbeeld, of de wakkerstamper om de grond los te trillen.

Als je kwaliteit levert, is er werk zat. Ik heb eigen klanten, maar ik word ook wel ingehuurd door een ander bedrijf. Dan werk ik samen met de werknemers van zo’n bedrijf. Dat zijn vaak jongens die sommige dingen niet durven. Bang om een fout te maken. Dat moet je niet zijn.

Sinds ik dit werk doe, is er nog geen dag hetzelfde geweest. Het werk is afwisselend en je komt steeds bij andere mensen over de vloer. Dat is leuk. Bovendien ben ik meestal buiten. Dat vind ik lekker. Als het regent trek ik gewoon mijn regenpak aan.

Iemand in dienst hoef ik niet. Dat is te duur. Als zo iemand ziek wordt, moet je een jaar lang voor twee verdienen. En aan het eind van dat jaar ga je kapot. Als ondernemer moet je heel groot worden of heel klein blijven, maar niets ertussenin. Ik blijf klein. Ik doe het werk en mijn vrouw verstuurt de rekeningen. Zij is handig op de computer. Ik zou niets anders willen, want ik weet wat ik doe en voor wie ik het doe.’

Wilma van Hoeflaken