In Fictie

De actualiteit spiegelt zich in de literatuur. Deze week de sluiting van Yab Yum en bordelen op de Amsterdamse Wallen, in het licht van Rood paleis (1936) van F. Bordewijk.

Nog ten minste twee weken kunnen criminelen, notabelen en doorsnee bordeelsluipers er terecht. Yab Yum, de bekendste ‘club van standing’ van Amsterdam, had op last van de burgemeester zijn deuren deze week al moeten sluiten, maar mag open blijven in afwachting van een kort geding dat gisteren diende. Een buitenkansje voor sjieke-hoerenlopers én voor literatuurliefhebbers die nog één keer het bordeel willen zien dat een rol speelt in romans als Vals licht (Joost Zwagerman) en De asielzoeker (Arnon Grunberg).

Toch is Yab Yum niet het beroemdste bordeel uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Die titel is weggelegd voor het Rood Paleis uit de gelijknamige roman van F. Bordewijk – een pand aan de Amsterdamse Passeerdersgracht dat door een van de vaste klanten, Henri Leroy, wordt beschreven als ‘een unicum in Europa, een unicum op de wereld. Wie daar eenmaal is geweest, raakt het nooit meer kwijt’.

Tijs Herdigein, de man die door Leroy wordt ingewijd in de geheimen van dit unicum is net uit Indië teruggekeerd – als maagd ‘uit deugd, of uit bekrompenheid’. Hem wordt het Rood Paleis beschreven als ‘van een superbe rose. Een klein gebouw, met zuilen [...] Rose schelpenpaden, rose kolommetjes die het dak schragen’. Maar als hij met Leroy meegaat naar de ‘infecte gracht met rottige huizen’ waar dit paleisje staat, blijkt het een log, bakstenen gebouw met jaloezieën voor de ramen, ‘een pand van somberheid en verschrikking’. En als hij later eindelijk naar binnengaat, is er geen luxe te bekennen. De beschrijving die wordt gegeven van de kamers en de ‘pensionnaires’ doet de lezer eerder denken aan een armoedige freakshow.

Voor de heren hoofdpersonen is dat geen bezwaar. Herdigein raakt evenzeer in de ban van het Rood Paleis als Leroy, die vooral gefascineerd is door de ‘paardentandige’ madam van het bordeel, mevrouw Doom (Bordewijk is altijd goed in het verzinnen van vreemde namen en dito gebitten). Maar aan vrolijke seksuitspattingen geven ze zich niet over. Hun verslaving aan de Yab Yum van hun dagen heeft iets plichtmatigs, iets van een zelfkwelling.

Rood Paleis is een fin-de-siècleroman, vervuld van een verstikkende ondergangsstemming. Hij speelt zich af in de zomer van 1914, wanneer de Eerste Wereldoorlog begint en het bordeel in moeilijkheden komt. Zelfs de trouwste klant van het Rood Paleis, Leroy, krijgt belangrijker dingen aan zijn hoofd. ‘De heren gingen onder’, constateert mevrouw Doom, ‘en haar rijk met hen. [...] De zwarte luxe van dit bedrijf werd geschiedenis...’

In het geval van Yab Yum en de andere ‘criminele’ bordelen in modern Amsterdam is voor dit laatste geen wereldoorlog nodig. Actie van de burgemeester, op basis van de wet-Bibob tegen het misbruik van ondernemingsvergunningen, is genoeg.

F. Bordewijk: Rood paleis. Athenaeum– Polak & Van Gennep, alleen tweedehands leverbaar.