HET EEUWIGE WIJ-GEVOEL

Mijn moeder kocht nooit bij Vroom & Dreesmann, want die waren rooms.

Ik heb het over de jaren dertig van de vorige eeuw. Dat een lid van het protestantse volksdeel andersdenkende winkels meed, was in die dagen net zo gewoon als dat gehoorzame katholieken hun radio lieten afstellen op de middengolffrequentie van de kro om te voorkomen dat ze per ongeluk in een socialistisch strijdlied van de vara terecht zouden komen, of dat wij van de ene dorpsschool vochten tegen zij (‘hunnie’) van de andere.

Die eigenaardige vormen van tegenstelling en eenkennigheid waren teweeggebracht door de verzuiling.

De verzuiling had zoals bekend de Nederlandse bevolking dusdanig opgedeeld naar geloof, politieke voorkeur en maatschappelijke positie, dat elke afzonderlijke groep desgewenst haar eigen afzonderlijke kerk, haar eigen afzonderlijke krant, haar eigen afzonderlijke ziekenhuis, haar eigen afzonderlijke begraafplaats, en haar eigen afzonderlijke wij-gevoel kon koesteren.

Van onderlinge vijandschap kon je misschien niet eens spreken. Onderlinge argwaan is een passender woord. Als het om de kerk van Rome ging sprak mijn vrijzinnige vader, half in scherts, van ‘het geel-witte gevaar’.

Hij wees dan op het kindertal dat in Brabant en Limburg op gemiddeld acht à negen per gezin lag.

In niet-katholieke kring liet de progenituur vergelijkenderwijs veel te wensen over: zelf waren we thuis met slechts vier kinderen. Hoe scheef zouden de demogra?sche verhoudingen op die manier niet al binnen een paar decennia vergroeid kunnen zijn? Soortgelijke bezorgdheid kom je zeventig jaar later soms ook tegen bij mensen die niets tegen vreemdelingen hebben, maar die zich wel eens achter het oor krabben als ze horen dat islamitische Nederlanders zich veel onstuimiger voortplanten dan christelijke: zij straks talrijker dan wij.

In de politiek van de toenmalige jaren dertig, dus aan de top van de samenleving, werd het onderlinge wantrouwen zo veel mogelijk verdoezeld. Het land moest tenslotte geregeerd worden. Dus sprak de antirevolutionair Colijn met zijn rooms-katholieke ministers uit één kabinetsmond. Maar ik weet zeker dat ook hij nooit iets bij Vroom & Dreesmann heeft gekocht.

Had de Duitse bezetting iets kunnen verhelpen aan de Nederlandse ‘schotjesgeest’? Dat heeft er even op geleken. Tegenover vervaarlijke tegenstanders als de rotmoffen, konden de onderlinge strijdbijlen maar beter begraven worden: het wij-gevoel had alle reden om nu eens nationaal te worden. Maar misschien heeft de oorlog te kort geduurd. Nog vóór de Duitsers de?nitief waren verslagen hadden de illegale kranten in Nederland de verzuilde vooroorlogse stellingen al weer betrokken. En op 5 mei 1945 bleken Vroom & Dreesmann nog altijd te rooms voor mijn moeder.

Het zou overigens onrechtvaardig zijn om de verzuiling af te doen als een tijdelijk soort verstandsverbijstering in het Nederlands volkskarakter. Natuurlijk waren er aan het eind van de 19de eeuw speci?eke omstandigheden die het verschijnsel ineens op weg hielpen. Voor allerlei politieke, religieuze en sociale emancipatiebewegingen waren ze trouwens als het ware een even veilige als heilzame couveuse waarbinnen ze zich konden ontplooien. Maar echt nieuw was het niet.

Je hoeft de geschiedenis van Nederland nauwelijks geweld aan te doen om haar te ‘lezen’ als een opeenvolging van tegenstellingen, onmin, slaande ruzie, wrok, wraak, moord en doodslag – één lang relaas van schisma’s, breuken en onverzoenbare con?icten tussen wij aan de ene, en zij aan de andere kant. Door de eeuwen heen zijn in zichzelf gekeerde, eigengereide Friezen, Geldersen, Utrechters, Hollanders en Zeeuwen tot op het bot verdeeld geweest tussen Hoeken en Kabeljauwen, tussen katholieken en calvinisten, tussen gomaristen en arminianen, tussen heren en knechten, tussen zeelui en landrotten of tussen Republikeinen en Oranjeklanten. Met een hartstocht die een betere zaak waardig was vochten in de 14de en 15de eeuw Amerongers op leven en dood tegen Amersfoorters, Haarlemmers tegen Amsterdammers en Lopikers tegen Woudrichemers: met elkaar slaags op bijna letterlijk een vierkante kilometer. Het lijkt een godswonder dat ze het niet alleen hebben overleefd maar dat ze het, intussen 16 miljoen man sterk, nog altijd enigszins met elkaar lijken te kunnen uithouden.

Of is dat gezichtsbedrog?

Ik kijk als het even kan graag naar het ncrv-televisieprogramma De Rijdende Rechter. Dat is vanwege de haast onverdraaglijke ijdelheid van de presentator altijd ook een beetje een Bezoeking des Heren – maar het gaat me om de antropologie van de casussen. Als je dat programma een poosje hebt gevolgd zie je dat het misschien niet meer om Hoekse en Kabeljauwse twisten gaat, of om Rome tegen de Reformatie of om orthodoxen tegen vrijzinnigen, maar dat heel Nederland nog altijd verbeten dóórruziet, al is het maar over een kastanje die in z’n groei een kadastrale grens dreigt te passeren, of over een ondeugdelijk gerepareerd keukenraam of over voetballende buurkinderen.

Er komt nooit een Turk of een Marokkaan in dat programma voor. Turken en Marokkanen hebben we niet eens echt nodig om ons wij-gevoel (tevreden, woedend of beledigd) wekelijks uit te leven.

Jan Blokker is columnist bij nrc.next.