Fysicus in oorlogstijd

In het lezenswaardige rapport over de in opspraak geraakte Nederlandse fysicus en Nobelprijswinnaar Pieter Debye dat Martijn Eickhof van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie in opdracht van het ministerie van OCW heeft geschreven (full disclosure: ik was lid van de begeleidingscommissie), wordt een interessante paradox aangekaart: een wetenschapper krijgt dán pas de mogelijkheden en de middelen om in volledige vrijheid onderzoek te kunnen doen, als hij eerst dicht genoeg bij het centrum van de macht is gekomen om het vertrouwen van de autoriteiten te wekken. Onafhankelijkheid vereist afhankelijkheid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat grote wetenschappers in de raderen van de geschiedenis beklemd kunnen raken.

Als ergens de cultuur van het genie en de bijbehorende heldenverering leefde, dan was dat in Duitsland, en als er ooit een tijd was waar deze gevoelens botsten met de politieke realiteit, dan was dat de eerste helft van de twintigste eeuw. Dit geldt in het bijzonder voor Max Planck, wiens leven nauw met dat van Debye verweven was, maar het in tragiek verre heeft overschaduwd.

Max Planck wordt in 1858 geboren in een academische familie van theologen en juristen. Al op jonge leeftijd blijkt zijn grote wiskundige en muzikale talent. Een keurige, erudiete en gereserveerde man, die voorbestemd lijkt tot een rustig leven vol wetenschap, kamermuziek en lange zomerse wandelvakanties in het hooggebergte. ‘Physik, Musik und Alpen.’ Maar het loopt anders.

In 1900 wordt Planck onbedoeld de vader van de quantummechanica. Zijn werk aan de straling van zwarte lichamen is het kanonschot dat de voor de fysica zo revolutionaire twintigste eeuw inluidt. Al snel speelt hij als hoogleraar aan de universiteit van Berlijn een leidende rol binnen de Duitse natuurkunde. Door zijn invloedrijke positie raakt Planck ook in politieke kwesties verzeild. Vlak na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog is hij een van de 93 wetenschappers, kunstenaars en schrijvers die de beruchte ‘Aufruf an die Kulturwelt’ tekenen, waarin zij het Duitse militaire optreden hartstochtelijk verdedigen. Een ernstige inschattingsfout. Als een van de weinige ondertekenaars probeert Planck later, onder de invloed van de Nederlander Hendrik Lorentz, toen de pater familias van de internationale fysica, dit standpunt in een open brief (in een voorloper van deze krant gepubliceerd) te nuanceren.

Ondertussen blijft Planck op het persoonlijk vlak weinig bespaard. Nadat zijn eerste vrouw in 1909 is overleden, sneuvelt in 1916 zijn oudste zoon Karl bij Verdun. Zijn tweede zoon Erwin wordt krijgsgevangen genomen, maar overleeft de oorlog. In 1917 sterft zijn dochter Grete in het kraambed. Haar tweelingzus Emma ontfermt zich over de baby en trouwt de weduwnaar. Twee jaar later overlijdt ook zij, in identieke omstandigheden. De beide kleindochters overleven het drama. Planck draagt zijn lot stoïcijns, maar schrijft aan Lorentz dat ‘er tijden zijn dat hij twijfelt aan de waarde van het leven.’

Na de oorlog wordt Planck de onbetwiste wetenschappelijke autoriteit in Duitsland. Hij neemt de ene na de andere hoge positie in. Zo wordt hij rector van de universiteit van Berlijn, secretaris van de Pruisische Academie van Wetenschappen en tenslotte president van de befaamde Kaiser-Wilhelm-Gesellschaft. De instituten van deze typisch Duitse organisatie waren de ultieme uitdrukking van het romantische idee van het wetenschappelijke genie. Zij werden geheel gevormd rond de directeur, die op volstrekt autoritaire wijze leiding gaf en compleet onafhankelijk met alle materiële ondersteuning zijn onderzoek kon verrichten. Aan de andere kant waren dit ook de hoogtijdagen van de Duitse chemische en zware industrie, die de instituten gedeeltelijk financierden. Het militair-industriële complex is geen Amerikaanse uitvinding.

In de roerige jaren twintig en dertig blijft Planck de Duitse wetenschap leiden. Hij bestrijdt opkomende nazi-wetenschappers, die zijn geliefde theoretische fysica als niet-arisch bestoken. Zijn stuurmanskunst wordt zwaar beproefd als Hitler in 1933 aan de macht komt en Joodse wetenschappers het werken onmogelijk maakt. Anders dan Einstein, die met zijn onfeilbaar moreel kompas Duitsland definitief verlaat, besluit Planck met de nazi’s samen te werken. Hij neemt zelfs het initiatief tot een gesprek met Hitler, waarin hij benadrukt dat er ook Joodse families zijn ‘met de beste Duitse cultuur.’ In vele kringen wordt hem dit pleidooi voor de ‘goede Joden’ zeer kwalijk genomen.

Planck wordt genadeloos gevangen in de spinsels van het naziregime. Iemand beschrijft hoe hij bij een officiële gelegenheid de Hitlergroet brengt: meerdere keren gaat zijn arm aarzelend halverwege omhoog, voordat hij hem geheel durft te strekken. Ondertussen probeert hij zijn lang gekoesterde droom te verwezenlijken: een Kaiser Wilhelm-Instituut voor fysica. Hij vindt uiteindelijk in de 26 jaar jongere Pieter Debye de figuur die dit voor elkaar kan krijgen. De doortastende en eigenwijze Debye heeft de geschikte persoonlijkheid om met de nazi-autoriteiten om te gaan. Door zijn Nederlandse nationaliteit, die hij door persoonlijke interventie van koningin Wilhelmina weet te behouden, ook al is hij in Duitse staatsdienst, heeft hij ook een zekere diplomatieke onschendbaarheid, althans zo voelt hij dat zelf. Debye weet hoogstaand onderzoek met een praktische aanpak te combineren. Hij is iemand die je voor een pak melk kunt sturen. Ook in het Derde Rijk.

De feiten zijn bekend: als voorzitter van de Duitse Natuurkundige Vereniging volgt Debye het voorbeeld van Planck (als secretaris van de Academie) en vraagt de Joodse leden af te treden. Hij ondertekent met Heil Hitler. Als na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog Debye voor de keuze wordt gesteld om óf als directeur af te treden óf zijn Nederlandse nationaliteit op te geven, weet hij de autoriteiten nog een laatste maal op het verkeerde been te zetten. Hij doet geen van beide. Uiteindelijk vertrekt Debye naar de Verenigde Staten, waar hij een positie aan Cornell University krijgt. Ondertussen wordt hij doorbetaald als directeur in Berlijn.

Terwijl Debye in relatieve rust in Amerika werkt, wordt Planck getroffen door de laatste mokerslagen. Eerst wordt zijn huis met het historisch archief in een bombardement verwoest. Vervolgens wordt zijn zoon Erwin, die hem altijd zo nabij was, gearresteerd. Hij is betrokken bij de aanslag op Hitler van 23 juni 1944 en wordt ter dood veroordeeld wegens landverraad. De 86-jarige Planck schrijft een hartverscheurende brief aan Hitler, waarin hij pleit voor het leven van zijn zoon ‘als dank van het Duitse volk voor zijn levenswerk, dat een onvergankelijk geestelijk bezit van Duitsland geworden is.’ Tevergeefs. Volledig gebroken staat Planck na de oorlog aan de wieg van de herboren Kaiser-Wilhelm-Gesellschaft, die nu naar hem wordt vernoemd. Hij sterft in 1947 op 89-jarige leeftijd.

Planck wordt vandaag de dag vereerd in Duitsland om zijn rechtlijnige gedrag en de grote persoonlijke offers waarmee hij zijn lot heeft gedragen. De medewerkers van de Max Planck-Instituten zijn trots op de naam. Zijn collaboratie met de nazi’s is vergeten, of althans vergeven.

Maar hoe zit het met Pieter Debye? Planck en Debye mogen dan beiden hun leven aan de fysica hebben gewijd, hun omstandigheden en persoonlijkheden zijn moeilijk te vergelijken. Vinden we bij Planck een principiële houding, grote offerbereidheid en een bijna wanhopige poging om de wetenschap tegen alle verdrukking in te behouden, bij Debye is eerder sprake van zakelijkheid, pragmatisme en de wens om alle opties zolang mogelijk open te houden.

De commissie-Terlouw, die de universiteiten van Utrecht en Maastricht moet adviseren of ze de naam van Debye aan het instituut, respectievelijk de prijs moeten teruggeven, heeft dan ook geen gemakkelijke taak. In het licht van het genuanceerde NIOD-rapport is het beeld van Debye onherroepelijk gekleurd en zal zijn naam ambivalente gevoelens blijven oproepen.

Die meervoudigheden waren Debye niet vreemd. Toen hij uiteindelijk het fysica-instituut in Berlijn gebouwd wist te krijgen, was iedereen het er over eens dat dit naar Max Planck vernoemd moest worden. Maar deze vorm van heldenverering vonden de Duitse autoriteiten misplaatst. Daar was de figuur van Planck te omstreden voor in kringen van nazi-sympathisanten. Uiteindelijk werd zijn naam alleen intern gebruikt. Praktisch werd dit tweesporenbeleid door Debye als volgt vormgegeven: in de hal hing een keurig bordje met de inscriptie ‘Max-Planck-Institut’. Er hing echter een gordijntje overheen, dat naar believen open of dicht kon worden gedaan.

Rectificatie / Gerectificeerd

In de column van Robbert Dijkgraaf (Fysicus in oorlogstijd, W&O 22 december) is zijn naam abusievelijk als Robert geschreven. De in de column genoemde aanslag op Hitler werd gepleegd op 20 juli 1944, niet op 23 juni.