Een zangcarrière

De eerste prijs: een plaatje maken met de beroemde zangeres Jenny Lionel.

Foto stock.xchng grammofoon FOTO: stock.xchng stock.xchang

Ik kan niet ouder zijn geweest dan vijf. En de platenstudio bevond zich in Brussel, ook dat staat vast.

We reden erheen in de bolide die mijn ouders kort daarvoor hadden aangeschaft. Een Vauxhall Cresta, triomfantelijke wagen voor triomfantelijke tijden, de jaren zestig waren amper begonnen. Een en al ronding, glimmend van de versieringen in chroom, koetswerk uitgevoerd in zwart en wit, net als de banden. De achterbank kon je in zijn geheel demonteren en de auto uitzeulen. Meteen een comfortabele zitbank bij het picknicken. Op zondagmiddag werd het hele gezin, plus oudtante en grootmoeder, de Cresta ingeperst. Tien personen joelend en kijvend opeengepakt, om twaalf kilometer verderop in openlucht te schransen, weer of geen weer. Meestal in Waasmunster, vlakbij een verlaten landingsbaan die nog door de Duitsers was aangelegd, midden in de heide. Ze hadden als ondergrond een soort krijt gebruikt, je kon het zó verbrokkelen en in je broekzak steken. Jarenlang hebben mijn broers, zus en ik de muren van onze buren gratis met onzin beklad, met dank aan de Duitsers.

Het moet mijn moeder zijn geweest die me naar Brussel reed. Mijn vader was altijd bezig in die slagerij van hem. Vers vlees, veel zorg. Hij moedigde het wel aan. Dat mijn moeder elke kans te baat nam voor een uitje. En ik ook. Hij gunde het iedereen. Hij zou het in onze plaats ook doen. Dat zei hij telkens weer.

Helemaal naar Brussel! Niet mijn eerste keer. Dat is weer een ander verhaal. Op de Grote Markt, tussen gouden gebouwen en na een bezoek aan Manneken Pis, trapte ik toen vol in een verse hondendrol. Ik begon, met elk handje hangend aan de hand van een volwassene, te krijsen en met mijn besmeurde voet in het ijle te schoppen. Ik zie het open sandaaltje nóg voor mij. Alsook de gezichten van familieleden, lachend of beteuterd, al naargelang ze niet of wel getroffen raakten door klodders. Dit gebeurde op een zondag, ook dat staat vast. Een van de vier zomerzondagen waarop mijn vader het aandurfde zijn winkel een hele dag gesloten te laten. „De klanten gaan denken dat we hun geld niet meer nodig hebben.” Op andere zondagen hield hij de tent open van zeven in de ochtend tot een uur in de middag, alle andere dagen van zeven tot zeven. Daarna begon het schrobben en afwassen.

Mijn moeder zat achter glas met grote ogen elk van beide liedjes mee te lippen, zichtbaar geërgerd als ik me vergiste. Ze verontschuldigde zich geluidloos bij de geluidstechnicus.

Mij kon het weinig schelen. Ik was in mijn sas. Ik stond op een stoel om recht in een studiomicrofoon te kunnen zingen die veel weg had van mijn vaders witte scheerapparaat van Phillips, maar dan met een rare bedrading eromheen. Hij hing aan een beweeglijke arm, zoals de lamp van de tandarts.

Naast mij, niet op een stoel, stond Jenny Lionel, over wie mijn moeder al weken waarschuwde dat ze een beroemde zangeres was. Ze deed heel gewoon. Wel zong ze haar tekst van een papier af en vergiste zich desondanks twee keer. „Niet te veel wiebelen”, glimlachte ze tussen twee takes. „De stoel piept. En je hoeft niet te buigen voor je begint te zingen.” Meer herinner ik me niet van onze conversatie.

Ze deed me denken aan leraressen van de hogere klassen, met haar leesbril en diepe stem. Zelf zat ik nog in de kleuterklas, bij Zuster Geneviève. Dankzij haar kende ik de beide liedjes vanbuiten. Zij had zich, samen met de hele klas, ingeschakeld in het repetitieproces.

Ik had een declamatiewedstrijd gewonnen. De prijs was: een singletje inzingen, met Jenny Lionel. De A-kant luidde ‘Sinterklaas, gij grote kindervriend’, de B-kant ‘Lieve papa’. Door de combinatie van vaderdag en 5 december hoopte de platenproducent op een hit. Dat verkondigde althans charmezanger, buur en vriend des huizes Bob Benny, tot in onze winkel, ten overstaan van verbijsterde klanten. Wekenlang gonsde het in de buurt van de geruchten. Ik werd een buitenechtelijk kind genoemd van Bob Benny. De geruchten vielen stil toen andere roddels over hem de overhand namen, en die zijn eeuwige vrijgezellenstaat verklaarden.

Zuster Geneviève ging van kop tot teen gekleed in zwart. Alleen haar dunne gezicht bleef vrij. „Onder hun kap zijn ze allemaal kaal”, huiverde een blond buurmeisje.

Een voor een werden de kleuters door Zuster Geneviève naar voren geroepen. Ze had iets pijnlijks aan haar hand. Die legde ze, palm naar beneden, op het bureaublad. De kleuter van dienst moest de hand langdurig strelen, of inwrijven met een kwalijk riekende zalf. Intussen zong Zuster Geneviève toonvast de beide liedjes voor. De klas herhaalde, uitentreuren: ‘O lieve Sinterklaas, gij grote kindervriend...’ Tien jaar geleden hoorde ik dat Zuster Geneviève was overleden. Botkanker.

Het singletje werd geen hit.