Een unheimisch gevoel

In het Rusland van de jaren negentig kon je het zomaar tegenkomen, een wereld zonder politieke slogans en zonder commerciële reclame.

Hubert Smeets

Redacteur NRC Handelsblad en oud-correspondent in Moskou.

Het was nog donker in Pskov. We waren net vanuit Moskou met de trein gearriveerd, een nachtelijke sukkelrit van vele uren. De jaren negentig van de twintigste eeuw waren halverwege. De Sovjet-Unie bestond niet meer, de Communistische Partij (CPSU) evenmin. In het Kremlin resideerde Boris Jeltsin. Hij werd omringd door de zogeheten „hervormers in korte broeken”. Democratisch Rusland was in de greep van het door hen ontketende „wilde kapitalisme”. Maar Pskov – ruim vijf eeuwen eerder het centrum van de graanhandel over de Oostzee met onder meer Nederland, nu een provinciestadje vlakbij de grens met Estland – was nog niet door de hyperliberale houthakkers aangeraakt. Alles op zijn tijd. De olieprijs stond nog op een miezerige vijftien dollar per vat. Buiten de twee grote steden Moskou en Sint-Petersburg stond het leven van de meeste Russen zo goed als stil, of beter, liep hun leven achteruit.

Buiten het spoorwegstation van de ooit florerende Hanzestad werd het bewijs geleverd.

Zelf hadden we het echter niet onmiddellijk door. Op weg naar hotel Riga, zo’n kolossale sovjetherberg uit de jaren zeventig, keken we elkaar vervreemd aan. Wat was hier aan de hand? Waarin onderscheidde de openbare ruimte zich zo zichtbaar dat het ons, hoofdstedelingen, meteen opviel dat het publieke domein er anders was dan in Moskou?

Terwijl we door de Leninstraat reden, wisten we het antwoord op deze vragen voor dag en dauw. Pskov bleek gevrijwaard van reclame. Waar in Moskou geen bushokje of tramhalte nog onbeplakt was en burgemeester Loezjkov alleen nog wanhopig probeerde om niet-cyrillische reclameteksten uit patriottische overwegingen te weren, waren muren en straten in Pskov nog ongerept. De opschriften beperkten zich tot aanwijzingen als ‘bakker’, ‘kapper’, ‘boeken’ en ‘levensmiddelen’.

Sterker. Het straatbeeld in Pskov was zelfs kaler dan het ooit was geweest. Tientallen jaren waren er in de stad namelijk wel min of meer kleurrijke teksten te lezen geweest: politieke leuzen en pleidooien om de burgers aan te sporen harder te werken, minder te drinken of het communisme anderszins dichterbij te brengen. Na de ondergang van het ‘reëel bestaande socialisme’ waren die slogans uiteraard verdwenen. Er zat niemand meer te wachten op een hoeraatje voor het ‘28e congres van de CPSU’ of de ‘vriendschap der volkeren’. Er was echter bijna niets voor in de plaats gekomen. Behalve voor sigaretten als Bondstreet en West was er in Pskov nog bijna geen markt voor inomarki, voor ‘buitenlandse merken’. Angelsaksische begrippen als branding en hedging waren nog niet tot de Russische taal doorgedrongen, laat staan tot Pskov.

Daar in het noordwesten van dat nieuwe Rusland werden we onaangekondigd en onverwacht geconfronteerd met een wereld zonder reclame. Die kon dus kennelijk echt bestaan. Maar in de duisternis is die wereld zonder reclame behoorlijk unheimisch.