Een kat snapt niet waarom wij lachen

Mensen zijn de enige dieren die menen dat zij gevoel voor humor hebben. Een wereld zonder humor moet dus een wereld zonder mensen zijn.

Hugo Brandt Corstius

Auteur van onder meer ‘Opperlans woordenboek’ en ‘Opperlans!’ (onder het pseudoniem Battus)

Een dodelijke besmettelijke ziekte, duizend waterstofbommen, of het verdwijnen van seksuele driften, dat zijn drie effectieve middelen om onze wereld van humor te verlossen. Om de humor te laten verdwijnen moeten namelijk de mensen van de aarde verzwinden. Wij hebben in de geschiedenis heel wat zelfingenomen ideeën over onze bevoorrechte diersoort moeten inslikken. Spreken, spelen, en sparen, bidden, boeren, en blozen –- maar altijd ontdekken we weer een beest dat het ook kan. Doch humor? Kunnen dieren elkaar aan het lachen maken?

We kunnen circusbeesten opleiden om ons aan het lachen te maken. We kunnen apen leren om schatergrimassen te vertonen. We kunnen bomen dwingen om in de vorm van een vraagteken te groeien. Maar wanneer er geen mens meer is om te lachen, dan is op deze aarde een geblinddoekte ezel, een grijnsaap, en een vraagboom geen humor maar gewoon een zielige ezel, aap, boom. Als een dier een mens ziet schateren, denkt hij: die is gek. U snapt ook niet waarom een kat spint. En de kat snapt niet waarom u lacht. Daarom wonen katten en mensen graag in één huis.

Mensen zijn de enige dieren die menen dat zij gevoel voor humor hebben. U, lezer, en ik, schrijver, zijn mensen. Daarom heb ik u overtuigd dat een wereld zonder humor een wereld zonder mensen moet zijn. Dieren lezen deze krant niet.

De geleerden kunnen nooit precies zeggen wanneer we voor het eerst in de geschiedenis onzer planeet van ‘mensen’ kunnen spreken. Mij lijkt de beste definitie van het begin der mensensoort: de dag dat voor de eerste keer een verre voorvader in de lach schoot, bijvoorbeeld omdat een verre voormoeder net deed alsof ze een drol ging opeten. Ja, die eerste mensen hadden inderdaad een ander gevoel voor humor dan wij. Maar ze konden lachen en een ander aan het lachen maken, en met deze zinloze activiteiten zijn ze nooit opgehouden.

Misschien lachten onze vooropa’s zelfs al om en met elkaar voordat ze met elkaar konden spreken. Nog steeds lachen wij hard om plaatjes, situaties, gekke smoelen, waar geen woord bij nodig is. Vertaalde moppen zijn bijna altijd ongelooflijk flauw. Mensen die geen gemeenschappelijke taal spreken kunnen toch heel goed elkaar aan het lachen maken. Een mop die je hoort is altijd minder geestig dan een mop die je meemaakt.

Dominee Okke Jager heeft geprobeerd om in de Bijbel humor te vinden. Ik las zijn boek en herinner me niet één bijbelse grap meer. De Bijbel is dan ook door God geschreven en hoewel wij Hem almachtig noemen, zal niemand God een Humorist durven noemen. Wie almachtig is kan namelijk twee dingen niet: 1. iets verzinnen wat hij niet kan, en 2. dat vertellen zodat wij erom lachen. De Bijbel bevat humoristische passages, maar alleen voor ongelovigen die denken dat het boek door mensen werd geschreven.

De vraag ‘Is er een wereld zonder humor?’ is dus dezelfde als de vraag ‘Is er een wereld zonder mensen?’

Kan ik mij een wereld zonder humor voorstellen? Alleen als er op de wereld geen mensen meer zijn. Stel, dat het ongeluk, dat ons ras zal treffen, onze aarde verder onveranderd laat. Stel dat dan overal ter wereld humoristische films en komische boeken zó lang, honderdduizenden jaren, bewaard blijven dat, wanneer er weer een nieuw mensenras uit de geredde dieren ontstaat, die Tweede Generatie Mensen onze films en boeken kan zien en zelfs lezen. Het mogen natuurlijk ook ruimtevaarders van een verre planeet zijn, als ze maar menselijke eigenschappen hebben. Ik hoop dat ze dan om onze humor zullen lachen. In dat geval, maar ook alleen in dat geval, wil ik het bestaan van een Wereld Zonder Humor erkennen. Dat is namelijk de planeet Aarde in de tijd tussen ons gezamenlijk uitsterven en de komst van de Tweede Lachende Generatie. Mogelijk zal dan een nieuw mens dit stukje lezen en erkennen: „Ja, er was vóór ons een wereld zonder humor. Maar weer dáárvoor had je Carmiggelt en Carroll en Chaplin, dat waren toen al humoristen.”