De Duitse reuzenkonijnen

Elk jaar worden in Nederland ruim 300.000 konijnen geslacht, met een hoogtepunt rond Kerst. Beestjes van een paar kilo. Niks vergeleken bij Duitse reuzen, gefokt voor de lol van de eigenaar. Carola Houtekamer

“En dit is Robert II.” Met een zwaai plant Karl Szmolinsky een enorm konijn op een tafeltje in zijn achtertuin. Bonk. Zes andere reuzenkonijnen hupsen nieuwsgierig naar de rand van hun kooi en steken hun kop naar buiten. In de rommelige achtertuin van zijn huisje in Eberswalde houdt hobbyfokker Szmolinsky meer dan dertig reuzenkonijnen. Voor de lol, want grote konijnen “machen viel Spaß”. Buiten de tuin is er weinig te beleven in de buitenwijk van dit grauwe voormalig Oost-Duitse stadje. De helft van de panden in de straat is dichtgetimmerd.

Szmolinsky grijpt het onwillige beest bij zijn 19 centimeter lange oren en draait het op de rug. Robert II spartelt even met zijn poten in de lucht en laat zich dan gelaten langs de meetlat leggen: 74 centimeter, van kop tot bloem. Zijn buik is zacht wit, zijn rug grijsbruin en zijn ondervacht blauwgrijs, precies zoals het hoort.

De vacht van Robert II klopt zo precies dat zijn eigenaar hem trots heeft laten afbeelden op de rug van zijn jack. Het dier is met ruim acht kilo een prachtexemplaar van het konijnenras Duitse reus, maar een kleintje vergeleken met zijn vader. Die woog 10,5 kilo. Deze Robert I is niet meer. In december vorig jaar is hij met elf soortgenoten naar Noord-Korea verscheept voor een konijnenfokprogramma dat er een einde aan de hongersnood moest maken.

Ofschoon minstens acht mensen kunnen eten van één reus, houdt Szmolinksy zijn konijnen niet voor het vlees – al lust hij met Kerst wel een mals boutje. Hij fokt ze al meer dan veertig jaar voor zijn plezier. En om prijzen te winnen op konijnenshows, getuige de serie trofeeën op de kast in de hal.

Robert I was niet het grootste konijn ter wereld, zoals de media beweerden, toen hij werd afgevoerd naar Noord-Korea. De Duitse reus, een variatie op de Vlaamse reus, kan met enige moeite tot veertien kilo worden gefokt, zonder hormonen of krachtvoer.

Is dat niet wat veel voor een konijn?

grenzen

Mensen fokken hun huisdieren steeds extremer, zegt Herman Hazewinkel, hoogleraar chirurgie gezelschapsdieren van de Universiteit Utrecht. Dat doen ze vaak wel met zorg, zegt hij. “Maar er zijn grenzen die in acht genomen moeten worden.”

Het skelet, bijvoorbeeld. “Heb je Google bij de hand? Typ dan eens ‘Maine Coon’ in.” Op het scherm verschijnen plaatjes van mensen met absurd grote katten. Hazewinkel: “Kijk wat een monster!” Dan serieus: “Deze gigakatten krijgen tijdens hun groei dezelfde fracturen als slachtvarkens. Door het zware gewicht zakt het lijf van de kat naar beneden. Daardoor kan het dijbeengewricht breken: de kop van het bot knakt van het steeltje. Bij slachtvarkens, die heel snel heel groot moeten worden, zie je precies hetzelfde.”

Volgens Szmolinsky ondervinden zijn konijnen geen enkele hinder van hun formaat. Ze kunnen nog veel groter worden, denkt hij, mits men let op een goede, stevige lichaamsbouw. “Het geheim?” vraagt hij in de keuken met zijn fokboek op tafel. “Kruis moeder met zoon en vader met dochter. Dan worden ze steeds groter. Maar zet nooit een broer op een zus!” Want dat is inteelt, vindt Szmolinsky. Waarom is dan dit jaar in Duitsland de rasstandaard voor Duitse reuzen dan voor het eerst gezet op maximaal 11,5 kilo? Oh, dat was “enkel omdat het voor de dragers op konijnenshows te zwaar werd om de dieren naar hun tafeltje te brengen”.

Hoeveel groter kunnen konijnen nog worden voor ze bezwijken? “Voor zover we weten, is nog geen bovengrens bereikt bij konijnen”, zegt Frans Kleyn van Willigen, voorzitter van de World Rabbit Science Association in Nederland, een organisatie die zich bezig houdt met commerciële vleeskonijnenfok. “Konijnen zakken nog niet door hun poten of hun heupen bij groot gewicht, zoals vleeskuikens doen. Het is ook niet bekend of het hart te klein is voor hun grote lijf. Hooguit kunnen hun voetzolen gaan ontsteken als ze te zwaar worden. En bij sommige hangoorrassen worden de oren te lang. Daar trappen ze op.”

Grote konijnen zijn juist gunstig voor de vleesproductie, zegt Kleyn van Willigen. “Bij zwaardere konijnen zit er relatief meer vlees aan de bouten en de rug, dat is goed voor de consumptie.”

staande houden

Veertien kilo is wel de bovengrens, denkt Erwin Teichmann, een concurrent-fokker uit het voorstadje Spandau bij Berlijn. In ieder geval voor de Duitse reus. Ter demonstratie zet hij een spierwit exemplaar op een weegschaal; 9,9 kg slaat de meter uit. De twintig centimeter lange oren van het beest draaien nerveus rond. “Kijk, dit is een goed gewicht. Dertien, veertien kilo is te zwaar, dan gaat de rug doorzakken en staan ze niet meer mooi rechtop.”

Hij sjouwt het beest naar een tafel in zijn tuin en zet het netjes rechtop. Groter fokken zou misschien wel kunnen, denkt Teichmann, maar het interesseert hem niet. “Een dier moet zichzelf staande kunnen houden. Het werkt net zoals bij dikke mensen, die blijven ook maar eten naar binnen schuiven. Dan rijden ze op den duur rond in een karretje.”

Er zijn genoeg fokdieren die al tegen het plafond zitten. De Duitse of Deense dog, bijvoorbeeld, loopt tegen groeigrenzen op. “De stokmaat van de Duitse dog is de afgelopen vijftig jaar een stuk hoger geworden,” zegt chirurg Hazewinkel. “Nu moet hij in één jaar tijd van 400 gram naar 75 kilo groeien. Mensen doen daar 15 jaar over.” Hazewinkel ziet bij deze grote honden veel skeletontwikkelingsstoornissen. “Broosheid van de botten is niet de boosdoener. Dat dacht men altijd wel, en daarom hebben veel mensen hun dier bijna vergiftigd met te veel kalk. Maar het probleem is het model van het skelet. Het groeikraakbeen moet zich op de juiste manier ontwikkelen. Bij heel grote honden gaat dat te vaak mis.”

Grote honden gaan ook eerder dood dan kleine. Door een versleten hart dat te veel heeft moeten werken of door tumoren in het bot. “Grote honden hebben simpelweg meer cellen in hun lichaam waar ze kanker in kunnen krijgen.” Waarom olifanten dan zo lang leven? Hazewinkel: “Een olifant hóórt zo groot te zijn. Die heeft afweermechanismen kunnen ontwikkelen. Mensen fokken dieren in een paar honderd jaar op totaal andere eigenschappen, dat is te snel. De evolutie kan dat niet bijhouden.”

ongedierte

De reuzenkonijnen van Teichmann en Szmolinsky worden net zo oud als kleine konijnen, beweren beide fokkers stellig. En ze krijgen geen kanker. Ja, hun grote oren vangen veel ongedierte. Maar andere afwijkingen? Nee.

Er is niet zo heel veel bekend over bij-effecten van het fokken van grote konijnen, zegt proefdiergeneticus Hein van Lith van de Universiteit Utrecht. Hij heeft uitgebreid studie naar konijnen gedaan. “Het konijn valt een beetje overal tussenin. Het wordt niet vaak als proefdier gebruikt en het krijgt minder aandacht dan gezelschapsdieren als honden en katten en commerciële dieren als koeien, varkens en kippen.”

Van Lith weet wel dat bij sommige grote konijnenrassen het zogenaamde megacolonsyndroom voorkomt. Dan zijn de darmen verlengd en dat levert verstoppingen op. “En bij dwergrassen is er een heel duidelijk probleem ingeslopen,” zegt hij. “In kleine konijnen zit een dodelijk recessief gen. Een homozygote moeder, met twee van deze genen, krijgt heel weinig nakomelingen. De rest gaat in de baarmoeder dood en wordt weer opgenomen in het lichaam. Dat probleem wordt vaak een beetje verzwegen.” Van Lith weet niet precies waar het probleem vandaan komt. “Het kan zijn dat het dwerggen zelf het probleem is, of dat het lethale gen vlak naast het dwerggen ligt.”

Een ander probleem bij extreme fokformaten vormen de nakomelingen, of liever: hun grootte ten opzichte van die van de moeder. Konijnen hebben er weinig last van, met hun relatief onvolgroeide jongen. Maar andere dieren wel. Neem het Amerikaanse miniatuurpaard, een soort bonsaipaardje. Het populaire hebbeding wordt gefokt tot de hoogte van een flinke labrador. “Zesentachtig centimeter geldt als maximale hoogte, maar ze zijn veel kleiner verkrijgbaar,” zegt paardenhouder Roswitha Boensma. Ze is voorzitter van de International Club of American Miniature Horses in Nederland en fokt ze zelf ook. Het Amerikaanse miniatuurpaardje is een mengeling van verschillende paardenrassen en anders gebouwd dan een doorsnee pony. Boensma: “Ponies zijn rechthoekig. Hun beentjes zijn korter dan hun rug. Een paard is vierkant, met lange benen. Die vorm hebben miniatuurpaardjes ook.”

Bevallen levert in zo’n twintig procent van de gevallen serieuze problemen op voor dit kleine paardje, weet Boensma uit ervaring. “Veulentjes moeten hun benen voor de geboorte uitklappen, zodat die als eerste uit de moeder komen. Maar omdat de benen zo lang zijn, lukt dat vaak niet.”

grote tanden

Wie alle problemen heeft overwonnen – genetisch, bouwtechnisch of reproductief – bij het bereiken van het gewenste formaat van zijn lievelingsdier, ontmoet nog een laatste hobbel. De tanden. Daar gaat het opvallend vaak mis. Paardenfokker Boensma: “Bij het miniatuurpaardje verklein je de kaken, maar de tanden zijn veel moeilijker klein te krijgen. Sommige minipaardjes hebben daardoor een te groot gebit en krijgen last van onderbeet. Hun tanden komen niet meer op elkaar.” Chirurg Hazewinkel weet dat kleine hondjes dat ook kunnen hebben. En konijnen die op extreem platte koppen worden gefokt, krijgen olifantstanden, volgens geneticus Van Lith. Omdat de tanden elkaar niet meer raken, slijten ze niet af, waardoor ze rond naar binnen groeien. Dan kunnen de konijnen niet meer eten.

De reuzen van Teichmann en Szmolinsky hebben zo te zien nergens last van. Ze knagen energiek aan een knol en laten zich gewillig op de foto zetten met hun eigenaren. Dat zijn ze inmiddels wel gewend. Nadat een foto van een reusachtig konijn op een show op internet belandde, zijn beide fokkers door tv-stations en kranten uit de hele wereld benaderd. Wie de rechtmatige eigenaar is van het inmiddels wereldberoemde beest op die allereerste foto, wordt niet duidelijk. Szmolinksy wijst trots naar het plaatje. „Daß ist mein Robert.” Maar Teichmann, zeventig kilometer verderop, weet zeker dat het zíjn prijswinnaar is: „Nein, nein, daß ist mein Rudi.”

Rectificatie / Gerectificeerd

Het woordje das is ten onrechte met een ß gespeld, in het stuk `De Duitse reuzenkonijnen ` (W&O 22 december).