Chimpvrouwen menstrueren tot aan hun dood

Chimpanseevrouwen kennen geen menopauze, zoals mensenvrouwen. Chimpvrouwen blijven gewoon vruchtbaar totdat ze te ziek zijn om te leven. Vruchtbaarheid gaat bij chimps gelijk op met de algemene gezondheid. Dit blijkt uit het eerste brede onderzoek naar menopauze onder in het wild levende chimpansees waaraan zes onderzoeksstations meededen, met in totaal 165 chimpanseewijfjes (Current Biology, 18 december).

Zoals bekend raken mensenvrouwen zo tussen hun 45ste en 50ste levensjaar in de overgang: ze worden onvruchtbaar. Maar met hun algemene gezondheidstoestand heeft dat niks van doen. Ze kunnen gemakkelijk nog decennia kerngezond leven. De oudste chimpvrouw uit het Current-Biology-onderzoek die nog een kind kreeg was al 55 jaar oud, voor mensen die veel langer leven dan chimpansees is dat vrij uitzonderlijk. Deze chimp uit het Kibalewoud in Oeganda stierf rond haar 63ste, en vlak voor haar dood menstrueerde ze nog.

Het belang van dit onderzoek is dat nu keihard is vastgesteld dat de mens dus ècht een uitzondering onder de primaten is, met vrouwen die decennia kerngezond doorleven terwijl ze niet meer vruchtbaar zijn. Geen enkel ander dier heeft dat patroon. In de dierenwereld sterven wijfjes nadat hun laatste kinderen op eigen benen staan. Evolutionair is ook moeilijk voor te stellen hoe natuurlijke selectie het ouder worden van vrouwen kan bevorderen als ze niet meer vruchtbaar zijn of nog invloed hebben op het lot van hun kinderen. Dat zelfs chimps, de naaste verwanten van de mens, geen menopauze kennen werd al wel vermoed, op grond van minder systematisch onderzoek.

De uniek menselijke menopauze speelt de laatste jaren een centrale rol in de theorievorming rond de unieke ‘levensloop’ van Homo sapiens, met zijn lange jeugd en lange leven. Volgens de invloedrijke antropologe Kirsten Hawkes is juist dat lange leven na onvruchtbaarheid van mensenvrouwen een cruciale stap in de menselijke evolutie, vermoedelijk gezet ten tijde van Homo erectus ca 1,5 miljoen jaar geleden. Sindsdien vormde ‘oma’ de noodzakelijke hulp van de mensenmoeder, die de lang hulpeloze kinderen niet goed alleen kon opvoeden. Door die hulp kon de natuurlijke selectie ook het leven van oma verlengen, want dat bevorderde nu de overleving van haar nageslacht. Pas later zou dan de vader die helpende rol op zich hebben genomen – een niet onomstreden aanname overigens.

Opvallend is dat het vruchtbaarheidspatroon van de chimps verder niet erg afwijkt van dat van de mens in een natuurlijke situatie (jagers-verzamelaars). De eerste kinderen komen eerder bij de chimpansee (met een sterke stijging vanaf het vijfde levensjaar) dan bij de menselijke jager-verzamelaar (vanaf 10 à 12 jaar) – daar is de langere mensenjeugd duidelijk te zien. Maar verder pieken mens en chimpansee allebei rond het vijfentwintigste jaar waarna de vruchtbaarheid afneemt en rond het vijftigste levensjaar is het wel afgelopen. Bij de chimpvrouw is dat dan ook het spoedig einde van haar leven, maar bij de mens dus niet. Hendrik Spiering