Broeders, geen macho’s

Nederland blijft voorlopig in Afghanistan. Op de Veluwe trainen de soldaten die straks naar Uruzgan gaan. „Plots opent de Talibaan het vuur.”

Haest (rechts) en De Graaff (links) voeren de search 5-20 uit Foto Moon Jansen Jansen, Moon

Een paar mankrachten drukt zich zestig keer op voor het slapen gaan. In een ijzige halfopen hangar op vliegbasis Soesterberg kringelen tussen rijen veldbedden wolkjes damp omhoog. Op campinggaspitjes wordt gedroogd voedsel eetbaar gemaakt, uit soldatenmonden wasemt warme adem. Blote torso’s en hamstrings met hier en daar een tattoo, verdwijnen in een donzen cocon met waterdichte hoes.

Net voor de kerst zijn de mannen van de B-compagnie van het 45ste pantserinfanteriebataljon op Uruzganoefening. In maart wordt dit bataljon naar Afghanistan uitgezonden om de huidige manschappen af te lossen. Wij zijn op oefening met één van de pelotons van deze B-compagnie.

Het is 21 uur ’s avonds, de helft van de mannen ligt onder de wol. Bij het ochtendgloren zullen de zes voertuigen van ons peloton in de volgorde Alfa, Golf, Romeo 1, Echo1, Echo en Bravo het Veluwse oefenterrein oprijden. Morgen bemannen wij in Uruzgan op de hei het pantserrupsvoertuig Golf, wij moeten nog gebriefd worden. Groepscommandant Niels, de baas van Golf, vertelt wat er van ons wordt verwacht. In Uruzgan spreekt iedereen binnen het peloton elkaar met de voornaam aan. Zonder achternamen kan de Talibaan geen familie traceren. In een kringetje zitten we met de zes bemanningsleden op het koude beton. Niels zet legopoppetjes in stelling en legt uit hoe onze posities zullen zijn op oefenroute Orange.

Wij zien onszelf als weerloos geel poppetje voor het pantservoertuig uitgestuurd worden om search te doen op een choke-point waar IED-dreiging is. In burgertaal: er ligt mogelijk een knutselbom op of onder de brug. Ons wapen, zeven kilo zwart staal, is niet met echte kogels geladen. We oefenen met losse flodders. Te allen tijde moet het wapen behandeld worden alsof het geladen is. Het is geen spel, het is een oefening in oorlog.

Luitenant-kolonel Kees de Rijke komt langs om zijn manschappen een hart onder de riem te steken. Hij is de hoogste baas van het 45ste bataljon en zal bij de wisseling van de wacht de aanvoering in Uruzgan overnemen. Als een vriendelijke vader spreekt hij met zijn jongens. Een praatje voor het slapen gaan. „Dus ik ben veilig als wij samen op patrouille gaan?” Soldaat Bart knikt ernstig: ‘Zeker, het gaat heel goed, we moeten nog wel een paar puntjes op de i zetten.’

Wij gaan genieten van een lange nachtrust, de reveille is pas om 6 punt 45. In Nederland mogen rupsvoertuigen niet in het donker de weg op. Wij plassen in de koude winternacht achter een natte boom en kruipen rillerig in thermo-ondergoed op ons veldbed. Het gevechtsuniform stoppen we bij ons in de slaapzak, zodat het morgen warm is. De wacht wisselt elkaar strak om de twee uur af. Met de hoofden diep in hun slaapzak verstopt, snurkt de rest van de mannen een symfonieconcert.

In de mist van het wakker worden zien wij een langgerekt filmshot, waarin tientallen figuranten in camouflagekleuren doelgericht door de immense hangar bewegen.

De eenheid maakt zichzelf strijdklaar in een gestructureerde reeks van handelingen. De militaire opleiding maakte een geoliede machine van de soldaten, hogere rangen hoeven niet meer te blaffen.

Het licht van de dag gaat aan op het moment dat onze colonne de N238 oprijdt. Wij staan rechtop in het pantservoertuig met het hoofd door het gat. Ons wapen boven pantser. Het oorlogsbeeld doet het dagelijks verkeer opkijken. Een schooljongen op de fiets maakt foto’s met zijn mobieltje.

Als de hekken van het militair terrein voor ons opengaan, is de oefening begonnen. We rupsen waakzaam in Golf achter Alfa over een schilderachtig weggetje door het natuurpark. Achter elk bosje kan hier op de Veluwe de Talibaan schuilgaan. In Afghanistan zijn bosjes zeldzaam. De machine dendert door ons lichaam, oordoppen dempen verdovende decibels, het loodzware kogelvrijvest drukt ons bovenlichaam aan. Deze manschappen rijden straks in dezelfde samenstelling door het Afghaanse landschap. Anderhalf jaar lang trainden ze dag in dag uit samen voor hun aanstaande missie. Het maakte geen macho’s, maar broeders van ze. We staan schouder aan schouder, maten gegroeid door onze stevige bepakking. Op 360 graden zoeken we naar de vijand. De meeste soldaten zijn achttien, negentien, krap twintig. Het merendeel wilde van kinds af aan soldaat worden. Aan de opleiding kun je jong beginnen, vanaf achttien jaar kan elke soldaat uitgezonden worden. Hun jongenswangen blozen, hun frisse ogen kijken in gespannen concentratie over de wereld.

Choke-point ‘brug’ is nog niet in zicht. Achter de heuvels springt plots de Talibaan tevoorschijn en opent het vuur. We staan oog in oog met de Afghaans geklede vijand. Haest en de Graaff krijgen commando onder pantser te gaan. Opgevouwen zitten we in een claustrofobisch stalen omhulsel, geen millimeter is er onbenut: ladingen kogels, plunjezakken, bedrading en rookgranaten. We kijken omhoog tegen de strak staande benen van onze groepsmaten die boven pantser vuur afgeven. Op de radio horen we nagalmen: ‘Alfa en Golf hebben contact’. Een regen van lege hulzen valt over ons heen. Buiten fluiten de kogels en galmen bevelen. Soldaat Patrick zakt zwaargewond naar beneden. Op de door zijn meerdere toegeworpen spelkaart is hem bloederig hoofdletsel toebedeeld.

Het is geen frontoorlog zoals vroeger bij de Russen, de Talibaan nadert vanuit 360 graden. Alle vaardigheden zijn er stevig in gedrild, de mentaliteit optimaal getraind. Cowboys en angsthazen zijn tijdens de opleiding afgevallen. Maar de mens blijft onvoorspelbaar. De meeste soldaten blijven staande, als fictie werkelijkheid wordt. Maar soms raakt iemand bevangen door ongekende angst, of wordt er één overmeesterd door een gevaarlijke kick. Een ding weet sergeant eersteklas Mike zeker: ‘Als deze jongens terugkomen, zijn het mannen.’ Hij was drie keer in Bosnië.

De colonne houdt halt om de gewonden af te voeren. De helicopter kan op dit onoverzichtelijke stuk grond pas landen als het gebied veilig is. Wij krijgen het commando een search uit te voeren: de 5-20. We checken twintig meter weg en berm op Talibaan en IED’s. Haest op links, De Graaff op rechts, wapen voor de buik. Boordschutters draaien vanuit de hoogte met hun lopen, soldaten hurken schietklaar in de berm, luitenant en groepscommandanten geven instructies. De hei is veilig. Midden op de vlakte kringelt groene rook omhoog. Patrick verdwijnt met zijn hoofd in wit drukverband, ondersteund door twee soldaten, in de groene mist.

Soldaat Stefan heeft alle papieren geregeld voor het geval het mis mocht gaan. In hetzelfde type pantservoertuig als waarin hij zit, stierf afgelopen zomer soldaat Timo na een aanval met een IED-autobom. Volgens soldaat Kevin is een bus instappen ook gevaarlijk. Bang zijn ze allemaal niet, ze willen gaan. De jongens treden met stalen moed het Afghaanse gevaar tegemoet. Het thuisfront blijft achter. Op straat moeten de jongens zich voortdurend verdedigen tegen onbegrip of de vraag beantwoorden of ze bang zijn om dood te gaan.Thuis moeten ze zich wapenen tegen de tranen van hun moeder. Maar de jongens horen net als voetballers niet hun hele leven op de reservebank. Majoor Martijn ziet Uruzgan als de Champions League, hij is trots dat ons kleine land op zo’n hoog niveau kan presteren.

De voertuigen verplaatsen zich verder over route Orange. Buiten ons bereik loopt een deel van het peloton in een hinderlaag. Vuur flitst in de verre verte. Onze groep neemt strategisch positie in voor waarneming. Dat betekent diep hurken op de vochtige mosgrond. In camouflagekleuren gaan we op in het landschap, na een eindeloos half uur nemen we ook de temperatuur van de omgeving aan. In de straffe houding wankelt ons lichaam onder het zware gewicht. Er is maximaal vuur afgegeven, de Talibaan is weggemaaid. We krabbelen omhoog.

Luitenant, sergeanten en groepscommandanten worden gedebriefd door de oefenstaf. IJskoude regen en hagel komt met bakken uit de hemel. Stoïcijns praten de mannen door. De enige beweging komt van soldaat Stefan, hij keert rustig de op de grond liggende helm van zijn meerdere om, zodat de binnenkant niet nat wordt. Alle moegestredenen doen ondertussen een dutje in de wagen, de soldaten krijgen de debriefing straks van hun groepscommandant. Onze groep slaapt niet, maar baalt over het gebrek aan directe actie tijdens de laatste confrontatie. We hangen onderuitgezakt in ons voertuig en eten repen uit ons vijfduizend calorieën winterdieet. Op de Veluwe is het saai buiten de vuurlinie. Straks in Uruzgan verkiezen de soldaten stuk voor stuk de kogelstilte.

Bij aanmelding op de militairenopleiding was deze uitzending al bekend. De vredesmissie werd intussen operatie crisisbeheersing. Soldaat Bart haalt de helm van zijn jonge koppie: ‘De vrede brengen we niet in de vier maanden van onze uitzending, maar ik ga het wel proberen.’ Het motief van deze jongens is mensen helpen, hun hoop is vrede brengen. Sergeant eersteklas Mike verwijst naar de rijen witte kruizen in Margraten. ‘Daarop staan ook alleen buitenlandse namen, zij kwamen ons democratie brengen.’ Naast hem staat soldaat Stefan, hij zou het liefst direct gaan, maar kijkt uit naar de feestdagen: ‘Ik heb nooit zoveel aan kerst gevonden, maar dit jaar wel.’