Amerika is binnenland - het zit in ons

Als idee is ‘Amerika’ al eeuwenlang een debat met onszelf: een attributenkast om standpunten mee te bepalen, maar ook uiterlijk en sociale status.

Ben Knapen

Correspondent van NRC Handelsblad in Jakarta en oud-correspondent in Washington.

Een wereld zonder Amerika. De eerste gedachten over dit hersenkrakende onderwerp noteerde ik op een binnenterras van een klein winkelcentrum in de Malioboro straat – hartje Yogyakarta. De volgende winkeltjes zijn zichtbaar: Bulletin music shop, The Golf House, Pizza Hut, Texas Chicken, Wrangler, The Executive Fashion. Een zwangere vrouw met een hoofddoek stijgt op de roltrap diagonaal door het beeld. De imam zal haar vermoedelijk over de Amerikaanse agressie in het Midden-Oosten hebben verteld.

Wat moet je eigenlijk wegdenken als je Amerika wegdenkt? Het idee, het concept, het merk? Of de grootmacht? Een concept is ongrijpbaar en overal, een grootmacht is concreet.

Natuurlijk hangen dingen samen, maar voor de zuiverheid van de speculatie doet het verschil ertoe. Onze minister van Buitenlandse Zaken zei onlangs in een interview met deze krant: „Ik vind de Verenigde Staten nog steeds onze belangrijkste bondgenoot. Dat is niet afhankelijk van de waan van de dag.” Zou je de minister dus de speculatie voorleggen van een wereld zonder de grootmacht Amerika, dan zouden wij in zo’n wereld onze belangrijkste bondgenoot kwijt zijn. We zouden betrekkelijk eenzaam en alleen achterblijven.

Niet iedereen zal het daarmee eens zijn, en het zal ook niet voor elk Europees land gelden. Neem bijvoorbeeld de inmiddels bejaarde Helmut Schmidt. Oud-bondskanselier, onvervalst Atlanticus die ooit zijn kanselierschap moest verspelen omdat de banden met Amerika – het ging om de plaatsing van Amerikaanse kruisraketten op Duits grondgebied – hem liever waren dan zijn eigen sociaal-democratische SPD. Vriend trouwens ook van Henry Kissinger. Schmidt zegt nu: „Voor de wereldvrede gaat er tegenwoordig veel minder gevaar uit van Rusland dan van Amerika.”

Kortom, wat voor Nederland dus kennelijk, aldus de minister, dichtbij een verwezing zou komen, zou voor onze oosterbuur, aldus Helmut Schmidt, een stuk beter zijn voor de wereldvrede. Dat is nogal een verschil in beoordeling tussen gelijkgezinden zo dichtbij elkaar. Misschien zijn Duitsland en Nederland de laatste jaren uit elkaar gegroeid, na Irak, na het grondwetreferendum, na het even symbolische als veelzeggende touwtrekken over een Europees volkslied en een vlag. Of misschien valt dit nog wel mee, en is het niet zozeer een kwestie van uiteenlopende posities, maar slechts van inschatting. We zijn daar dus nog lang niet uit.

In Azië is het vooralsnog overzichtelijker. Daar doet zich grootmachtpolitiek nog in betrekkelijk ouderwetse vorm voor. Zonder Amerika zou Japan zich in razendsnel tempo gaan herbewapenen. Helemaal vertrouwen doen de Japanners het met Amerika op het ogenblik weliswaar ook niet: ze zetten kleine stapjes om hun defensie te versterken en het agentschap dat erover gaat is opgewaardeerd tot een heus ministerie.

Maar dat is kinderspel in vergelijking met wat Japan aan remilitarisering zou ondergaan als het zich tegenover het machtiger wordende China helemaal alleen voelde staan. En omdat datzelfde China een kernwapenmogendheid is, zou Japan het ook moeten worden.

Alle trauma’s van Hiroshima ten spijt zou het geslaagde voorbeeld van Amerika en Rusland in de Koude Oorlog de weg wijzen naar een concept van wederzijds verzekerde afschrikking om de vrede te bewaren. Met India zou Japan een soort bondgenootschap proberen te sluiten tegen China, maar het zou in werkelijkheid zoiets worden als de driehoeksverhouding Amerika-Rusland-China in de Koude Oorlog: een spel van kat en muis met het voortdurende streven om elkaar te isoleren.

Zuid-Korea zou zich wat sneller verenigen met het noorden en het nieuwe Korea zou een modus vivendi vinden binnen de invloedssfeer buurman China. Iets zuidelijk in Zuidoost-Azië zou in grote lijnen hetzelfde gebeuren – een klassieke Chinese invloedssfeer zou zich aftekenen en die landen zouden hun huidige, neutrale status op afstand van China en van Amerika kwijtraken.

Niet eens omdat China op roverspad zou gaan, maar omdat het zo groot, zo dominant aanwezig is, zoveel nodig heeft om die rit op de tijger van elk jaar tien procent groei vol te kunnen houden. En o ja, Taiwan zou ophouden te bestaan.

Verder zuidelijk zou zich een nationaal drama van identiteit afspelen. Want Australië en Nieuw-Zeeland zijn als westerse landen een geografisch misverstand. Zonder Amerika zouden ze ontheemd achterblijven. Misschien zouden ze compensatie zoeken door nog meer britishness in hun nationale symboliek te stoppen: meer cricket, meer oorlogsmonumenten, meer royalty op de bankbiljetten, (die overigens verdiend worden dankzij export van grondstoffen naar China).

Deze speculatie is erop gebaseerd dat Amerika als militaire, niet als economische grootmacht zou verdwijnen. Amerika dus als een soort Groot-Canada. Immers, zonder Amerikaanse economie zouden de Aziatische landen in een diep dal terechtkomen en, op zichzelf teruggeworpen, zouden zij een aantal turbulente jaren tegemoet gaan.

China kent een lange traditie van onderlinge rivaliteit. Amerikaanse neergang zou dan ook heel geleidelijk moet verlopen, omdat anders de schokken te groot zouden zijn om de Eeuw van Azië nog kans van slagen te geven.

Latijns-Amerika zou ineens zonder stutpilaar, dan wel wrijfpaal verder moeten. De ballen in de flipperkast zouden niet langer tussen bandeloos kapitalisme en romantisch-radicaal socialisme heen en weer kunnen knallen, want de flipperkast heeft geen stroom meer.

De onderkanten van die samenlevingen zouden het moeten stellen zonder de aantrekkingskracht van Amerikaanse televisiepredikanten. Ze zouden zichzelf zowaar moeten definiëren als wat ze zouden kunnen zijn: betrekkelijk katholieke, Zuid-Europese landen.

Het grootste raadsel zijn de Arabische wereld en het Midden-Oosten. Amerika in de gedaante van een Groot-Canada zou een hele schare machthebbers en intriganten van hun instrumentarium veroveren: van een vijand die zelden teleurstelt en een vijandbeeld dat mensen bindt. Wat zouden fanatici in Iran moeten beginnen zonder de pseudo-identiteit, die zij al sinds de dagen van de ongelukkige Jimmy Carter ontlenen aan het perfide Amerika?

Waar zouden de Saoedische prinsen hun heil zoeken? En de massa’s in de straten van Cairo tot aan Karachi – waartoe zouden zij hun toevlucht nemen? Welke islamitische populist zou de blitz kunnen maken door Israël van de kaart te vegen? Zouden de bewoners van Israël toch maar weer de benen nemen? Of zou Israël oninteressant worden, niet langer de raakbare steen-des-aanstoots uit het vervloekte Westen, maar slechts een landje aan de zee? En zou de Arabische wereld dus nog een vijand en een vijandbeeld armer zijn?

Of zou het einde van een effectieve vijand de Arabische wereld zozeer ontmaskeren, dat hun onderlinge politieke en sociale spanningen uitgevochten moeten worden? En zou zoiets tot een reinigend onweer beperkt blijven of een drama zonder einde worden?

Speculaties over al deze vragen zouden te ver voeren. Wat te binnenschiet, is de moderniseringstheorie van de socioloog Ralf Dahrendorf. Hij beredeneerde in de jaren zestig hoe het oude Duitsland zijn semifeodale en hypernationalistische Sonderweg in de geschiedenis kennelijk alleen achter zich kon laten door in twee wereldoorlogen zichzelf ogenschijnlijk te gronde richten. Alleen zo verloste het zich van militarisme, van dromen over wereldmacht en am deutschen Wesen soll die Welt genesen. Een ontketende en normale middenklasse kon daarna ongehinderd aan de slag.

De wereld van de islam zou zichzelf en de rest van de wereld die Dahrendorfse route naar modernisering eigenlijk moeten besparen. De afwezigheid van Amerika blijft daarom alleen al een angstwekkend idee in dat gebied, hoezeer ook een beetje minder Amerika de moeite van het proberen waard zal zijn.

Als ergens de macht en de idee genaamd Amerika in elkaar vervloeien dan in de Arabische wereld, in de wereld van de islam. Amerika staat voor het Westen, is de permanente herinnering aan de wereld van de islam dat die achterloopt, geen vorm heeft gevonden voor modernisering, zelfontplooiing, vrijheid. Wat zou de wereld zijn zonder Amerika als concept, als levensstijl?

Amerika-als-idee maakt de uniciteit van Amerika uit. Het is de enige oud-kolonie van Groot-Brittannië die zich heeft ontwikkeld op basis van een idee – een ideaal misschien, een ideologie volgens sommigen, een mythe volgens anderen. Maar de idee van democratie, vrijhandel en de pursuit of happiness bepalen voor een deel de hulpvaardigheid en bemoeizucht van Amerika met de wereld.

In de laatste honderd jaar is Amerika als ideaal geprezen en verguisd en dat hing soms van Amerika af, soms van de bezoekers. De bewondering van Alexis de Tocqueville voor Amerika was goeddeels ingegeven door de maatschappelijke tekorten die hij in zijn eigen land, Frankrijk, aan de kaak wilde stellen. De verguizing door Ter Braak (‘Amerikanisering, ons slechter ik’) stoelde op zijn politieke plaatsbepaling in Nederland.

Dat is altijd zo gebleven: de één ziet vooral Amerikanen die voor hun ziekten maar slecht zijn verzekerd, de ander ziet het feest van de integratie van immigranten in New York of de dynamiek van het bedrijfsleven: Amerikaanse miljardairs blijven jongensachtig, die van China of Rusland krijgen tronies.

Maar wat gebeurt er als er plotseling geen Amerikaanse film meer is, hun celebrities niet meer het bindmiddel van gesprek met elke vreemdeling op elk vliegveld in de wereld kunnen zijn? Wanneer dat grote mondiale binnenland, genaamd Amerika, voor de wereld er niet meer zou zijn?

Voor de film zou het een verademing zijn. Niet dat Amerikanen daar niet goed in zijn, maar hun dominantie, hun overweldigende thuismarkt, hun productiecapaciteit van celebs drukt praktisch alles verder in de wereld weg. De Franse film? Interessant, maar weinig geld en weinig publiek. De Duitse film? O ja, Goodbye Lenin, Das Leben der Anderen en Der Untergang. Prachtig gedaan maar te weinig kaskraker om weer een hele trits nieuwe experimenten te ontketenen. De Indiase film? Mierzoete regionalisering van Hollywood of anders slechts voor cinefielen. De Chinese film? Zhang Yimou is een minder vertrouwde naam dan Steven Spielberg al is hij zeker niet slechter (samen ensceneren ze, tussen haakjes, de komende Olympische Spelen en de mensen zullen naderhand zeggen: knap gedaan van die Spielberg en die Chinees, hoe heet ie ook alweer).

En zo is het overal. De non-existentie van Amerika zou een fantastische bom onder de luiheid van het internationale publiek leggen. Een mens zou zich zowaar in andere dingen moeten verdiepen dan wat Hollywood in veel variaties op een vertrouwd recept in de aanbieding heeft. Die jaarlijkse, tragisch-komische voetnoot genaamd ‘best foreign movie’ tijdens het Oscarfestival zou verdampen, omdat álle films buitenlands zouden zijn.

De Amerikanisering van het leven is voor de wereld niet altijd een feest (al is zoiets onmiddellijk een politieke uitspraak natuurlijk). Amerika is een samenleving die op contract, niet op vertrouwen is gebaseerd. Dat heeft veel voordelen, maar zoals altijd met Amerika schort het aan wat wij zouden noemen maatgevoel.

Tegenwoordig staat ook in Nederland op een buggy die je koopt dat je ’m niet moet opvouwen als de baby er nog in zit – voor het geval iemand naar de rechter zou willen stappen om de firma wegens nalatigheid aan te klagen. En tegenwoordig moet je ook in Nederland niet denken dat je op een vakantieparkje zomaar een klimrekje kunt bouwen voor de kinderen. Want hoe moet dat dan met de aansprakelijkheid?

De advocatuur en de accountancy zijn bedrijfstakken geworden, die zich als een inktvlek over de niet-Amerikaanse wereld hebben verspreid. Niet alleen het bedrijfsleven, de hele samenleving juridiseert.

Wie zich op internationaal terrein begeeft, begeeft zich op Amerikaans terrein en de handdruk wijkt voor de strekkende meter reps and warranties. In het bedrijfsleven kom je zelfs mensen tegen die dat wel een beetje macho vinden, zwermen advocaten om je heen als bewijs onderdeel van de grote mensenwereld, de Amerikaanse wereld dus, te zijn.

Wall Street en de zeden en gewoonten van de wereld erachter zijn jarenlang nog als typisch Amerikaans beschouwd. Maar ook dit deel van het Amerikaanse binnenland rukt op. Je kunt bij de onmatigheid en schaamteloosheid van de zelfverrijking vraagtekens zetten, maar zolang Amerikanen dat onder elkaar redelijk vonden, was het hun zaak. Maar het waaide de wereld over, het legt allemaal bommetjes onder het publieke domein en in zoverre kun je Amerika à la Schmidt een gevaar voor de wereld noemen.

Dat miljardairs charitatieve werken verrichten, doet er weinig aan af. Wat moeten ze anders, ieder mens wil erkenning. En bovendien bepalen ze allemaal op eigen houtje wat charitas is en wat niet. Maar do good en feel good als life style vervangt collectieve verantwoordelijkheid niet.

Zonder Amerika zouden al die shopping malls in de wereld er anders uitzien. Ze zouden niet eens zo heten. Voor de globalisering zou een andere taal en een andere beeldtaal moeten worden bedacht – meer fusion dan Texas chicken ongetwijfeld.

Voor zover Amerika een idee is, is Amerika ook al eeuwenlang een debat met onszelf: een attributenkast om standpunten mee te bepalen, maar ook uiterlijk en sociale status.

Amerika is binnenland – het zit in ons: for better and for worse.