Waarom blijft niet alles bij het oude

Het duo De Rijke/De Rooij trachtte alles te beheersen: elke schaduw, elke lichtstraal lijkt tot in details uitgedacht. Die precisie is intimiderend, blijkt op een overzichts-tentoonstelling in Düsseldorf. Het werk geeft je het gevoel dat je iets ontglipt.

Eerst maar een gebeurtenis. In oktober 2000 vond in het Stedelijk Museum in Amsterdam de tentoonstelling For Real plaats. Daar was werk te zien van zo’n twintig jonge Nederlandse kunstenaars, waarvan een deel door de gemeente Amsterdam zou worden aangekocht. De hele hippe meute van het moment was vertegenwoordigd: van Liza May Post tot Elspeth Diederix en van Martine Stig tot Julika Rudelius. Overweldigd door de golf aan beelden, indrukken en ambities fietste ik na afloop de stad in. Deed boodschappen. Vervolgens reed ik naar het Stedelijk Museum Bureau, waar in het kader van For Real nog een film werd vertoond: Bantar Gebang van het kunstenaarsduo De Rijke/De Rooij. Van hen kende ik alleen I’m coming home in forty days: een vijftien minuten durend filmverslag van een boottocht langs een poolkap. Dat klinkt spectaculair, maar het enige wat je in de film ziet zijn verglijdende kleurvlagen in blauw en wit en grijs – mooi, maar introvert. Dat gold, zo bleek al snel, ook voor Bantar Gebang. De hele film bestaat uit één shot, van bovenaf genomen, van een bewoonde Indonesische vuilnisbelt in de ochtend. Terwijl de zon opkomt ontluikt het leven. Een man verlaat zijn gammele huisje en loopt het beeld uit. Een kip steekt het modderpad over. En de zon gaat op – en vast weer onder, dacht ik, terwijl de adrenaline van kunst en stad nog door mijn lijf suisde. En fietste verder.

Later, nadat ik Bantar Gebang alsnog had uitgekeken en nog eens, besefte ik dat ik een meesterwerk had gemist. De verstilling van Bantar Gebang is namelijk verraderlijk. Enerzijds is er de afstotelijkheid van de vuilnisbelt en de omstandigheden waarin mensen moeten leven, tegelijk dringt langzaam tot de toeschouwer door dat die beelden mooi zijn, de kleuren van het plastic, het zachte licht, de rust, de verstilling. In de chaos van het vuil schuilt een harmonie die je eigenlijk niet wilt herkennen. In dat ongemak, in die wrijving, zit de kracht.

Iets soortgelijks bleek ook te gelden voor Of Three Men (1998), Crystals (2003) en Mandarin Ducks (2005) van Jeroen de Rijke en Willem de Rooij: traagheid, ongemak, verstilling. Daardoor werd duidelijk dat Jeroen de Rijke en Willem de Rooij er ongebruikelijke ambities op na hielden: ze wilden zich nadrukkelijk onttrekken aan het moderne gevoel van haast, overvloed en chaos. Je zou hun oeuvre zelfs kunnen omschrijven als een onderzoek naar de manier waarop je je als individu staande kunt houden in de overweldigende wereld. Daarmee maken De Rijke en De Rooij het zich niet gemakkelijk: wie pontificaal stil gaat staan terwijl iedereen doorloopt, loopt het gevaar genegeerd te worden – niet alleen door een verdwaasde criticus. Maar hoe doe je dat, als kunstenaar? Hoe wek je interesse voor je werk als je niet hoog van de toren wilt blazen? Als beheersing en concentratie je onderwerp zijn? Als je met je kunst een plaats zoekt in een wereld waarvan je je tegelijk afkeert?

Die vragen waren reden genoeg

om nieuwsgierig te zijn naar de dubbele overzichtstentoonstelling van De Rijke/De Rooij die de komende maanden plaatsvindt. Het eerste deel daarvan is tot half april te zien in K21, het museum voor hedendaagse kunst in Düsseldorf, het tweede deel loopt vanaf die tijd in het Museo d’Arte Moderna di Bologna. Niet in Nederland dus. Wie echter het monumentale K21 binnen loopt, beseft meteen dat er nog een reden was om hun werk in Düsseldorf te tonen. Een van de belangrijkste conclusies van De Rijke/De Rooij nadat ze hadden besloten zich aan de stroom te onttrekken, was dat ze precies moesten zijn. Daarin werden ze vervolgens ijzig consequent – de afgelopen jaren heb ik weinig kunstenaars gezien die zo fanatiek alle aspecten van hun werk wilden beheersen. Dat begint er al mee dat hun productie opvallend beperkt is: in ruim tien jaar maakten ze een stuk of zes films (die zelden langer duren dan een half uur) een aantal kleinere films, een dia-installatie en een aantal grote foto’s die meestal de, voor hedendaagse kunst, opmerkelijke oplage hebben van één exemplaar.

Zeker zo belangrijk om die precisie vol te houden, is controle. Dat valt opnieuw op in K21: hoezeer De Rijke en De Rooij alles in hun werk trachten te beheersen. Elke opstelling, elke schaduw, elke lichtstraal lijkt tot in de details uitgedacht. Dat geldt niet alleen voor hun films en foto’s maar ook voor de zalen waarin de films worden getoond: die zijn tot op de millimeter uitgetekend, inclusief het hokje voor de projector en de plekken waar de bankjes moeten staan. Het is een precisie die je maar zelden ziet in de wereld van hedendaagse kunst, en die weldadig aandoet in z’n liefde en concentratie. Maar het is ook intimiderend, alsof De Rijke en De Rooij vanuit hun perfecte, beheerste universum wat neerbuigend neerkijken op het krabbelende voetvolk. Daarin hebben ze wel iets van twee minimalistische dandy’s, die zich in hun perfectie enerzijds boven het volk verheven voelen, maar die ook tandenknarsend moeten toegeven dat ze datzelfde volk nodig hebben om als kunstenaars te kunnen bestaan.

Het is dan ook opvallend dat we in de laatste De Rijke/De Rooij-film Mandarin Ducks uit 2005 precies zo’n groep mensen zien. Iedereen in de film is mooi, mooi geweest, of rijk; ze leven in een strak modernistisch interieur. Toch worstelen ze op bijna kluchtige wijze met de stramienen die hun welvaart hun heeft opgelegd. Ze hebben de juiste meubels, dragen de juiste kleren, beheersen de codes, maar het liefst zouden ze de tijd stil zetten zodat ze niet hoeven te leven – want in dat leven, in het verglijden van de tijd, slagen ze er niet in meer uit te kramen dan platitudes en filosofische banaliteiten. Zoals het personage Martha (gespeeld door Liz Snoyink) opmerkt: ‘Why is it, why don’t some things in life stay the same. How come bloody things have to change all the time?’ Die rare spanning tussen beheersing en banaliteit maakte Mandarin Ducks tot een cruciaal werk in het oeuvre van De Rijke/De Rooij. Alsof ze zelf ook begonnen te beseffen dat beheersing prachtig is, maar dat beheersing ook kan leiden tot stilstand, tot onmacht, en dat je af en toe uit de stramienen moet treden om niet in stilte en afzondering te verzinken.

En toen ging Jeroen de Rijke dood.

Wat er precies gebeurd is, in februari 2006, is niet helemaal duidelijk. De Rijke en De Rooij hadden net een drukke periode achter de rug; Mandarin Ducks was in 2005 de Nederlandse inzending voor de Biennale van Venetië geweest. De Rijke ging met vakantie naar Ghana en overleed daar, totaal onverwacht, op 35-jarige leeftijd, aan een hartstilstand. Vanzelfsprekend schokte zijn dood iedereen die hem of zijn werk kende – dit was veel te vroeg. Tegelijk trad er een ander, curieus mechanisme in werking: het besef dat hiermee het artistieke oeuvre van De Rijke/De Rooij was afgerond. Jeroen de Rijkes overlijden had in dat opzicht wel iets van het lot dat kunstenaars als Frans Kellendonk en René Daniëls trof: ook zij werden te vroeg uitgeschakeld, ook hun oeuvre werd tot staan gebracht terwijl het nog in ontwikkeling was. Hoe moesten wij, de achterblijvers, tegen dit werk aankijken? En, belangrijker: wat ging Willem de Rooij nu doen?

Dat is natuurlijk de tweede reden waarom de K21-tentoonstelling intrigeert: het is een eerste poging om de ‘nalatenschap’ van het duo te waarderen. In ieder geval is daarbij duidelijk dat Willem de Rooij de regie nadrukkelijk in handen heeft: de beheersing, de precisie is weer ‘ouderwets’ De Rijke/De Rooij. Dat zit ’m niet alleen in de inrichtingen van de zalen, maar ook in de keuzes: De Rooij heeft voor dit eerste overzicht duidelijk gekozen voor werken waarbij die beheersing een belangrijke rol speelt. Dat begint met Orange (2004), een installatie van 81 monochrome dia’s die allemaal varianten op de kleur oranje tonen. Het is een vreemd, soms taai, soms hallucinerend werk: doordat oranje een kleur is die op film notoir moeilijk is te reproduceren wordt de reeks vooral een studie naar de essentie van een kleur. Dat is een interessante poging, maar dat de conclusie na 81 dia’s toch moet luiden dat die essentie moeilijk is vast te stellen, is niet erg verrassend.

Spannender wordt het

in het deel van de tentoonstelling dat draait om Mandarin Ducks. Daarin is niet alleen de film te zien maar ook een groot deel van de expositie die De Rijke/De Rooij inrichtten toen de film in het Stedelijk Museum werd getoond. Die beelden waren toen nogal verrassend: naast deze film over leegte en decadentie toonden De Rijke/De Rooij een aantal Merzlitho’s van Kurt Schwitters, een buffet van Gerrit Rietveld, de strakke ontwerpen die Wim Crouwel maakte voor hun Biennale-posters, en werk van het ontwerpersduo Jan Slothouber en William Graatsma. Vooral de bijdrage van die laatste twee is opmerkelijk: het zijn minimalistische kubusconstructies uit einde jaren zestig, begin jaren zeventig, allemaal opgebouwd uit dezelfde wit geschilderde blokjes – Slothouber en Graatsma vertegenwoordigden Nederland er in 1970 zelfs mee op de Biennale van Venetië. Voor De Rijke/De Rooij staat hun werk voor het idealisme van de jaren zestig: de tijd waarin de wereld beheersbaar leek en idealen maakbaar werden geacht. Een wereld waarin De Rijke/De Rooij vast graag hadden geleefd, maar die ze zelf ook niet meer geloofwaardig vinden. Niet voor niets hangen de decadente hoofdpersonen van Mandarin Ducks rond op een echte Slothouber/Graatsma-bank.

Precies in die spanning tussen beheersing en idealisme aan de ene kant en de chaos van het leven aan de andere ontrolt zich deze tentoonstelling – wat onnadrukkelijk wordt aangewakkerd door het overlijden van De Rijke. Daarbij is het natuurlijk de vraag in hoeverre De Rooij daar op aanstuurt. Want hoe je het ook wendt of keert, er zit iets wrangs, iets onzekers in het benadrukken van beheersing als je artistieke partner net is overleden. Of zat die verwarring altijd al in hun werk, en heeft De Rooij het moment alleen maar aangegrepen om dat te benadrukken?

In ieder geval lijkt het niet voor niets dat de enige twee films die in Düsseldorf worden vertoond, allebei lijken te verwijzen naar dood en verdwijning. In Mandarin Ducks gebeurt dat nog bijna terloops. In de laatste scène van de film stapt Martha uit de kring van familieleden. De een is droevig, een ander huilt hartstochtelijk terwijl Martha traag de kamer uitloopt, een soort balkon op. Niemand beweegt. Ze blijft staan en staart tientallen seconden voor zich uit, close-up in beeld – in dezelfde seconde dat ze haar ogen sluit stopt de film.

Een vergelijkbare symboliek zit in The Point of Departure (2002). Op het eerste gezicht is dit het overzichtelijkste werk dat De Rijke/De Rooij maakte. In de film, die 26 minuten duurt, tast de camera minutieus het oppervlak af van een rijk geknoopt Kaukasisch tapijt, afkomstig uit de collectie van het Rijksmuseum. De camera zoomt in en uit boven de wol en glijdt zo traag langs de kleuren dat je de patronen langzaam gaat herkennen. Tegelijk is het geheel zo rijk en veelkleurig dat je het gevoel krijgt dat dit tapijt een heel landschap vertegenwoordigt, misschien wel de hele wereld. Dat wordt versterkt doordat het tapijt op het einde begint te zweven, als een pre-Galileïsche aarde, om zijn as draait en langzaam in een diepe, zwarte leegte verdwijnt. Alsof De Rijke en De Rooij wilden zeggen: hoe virtuoos dit tapijt ook is gemaakt, de toeschouwer zal het nooit beheersen, zal er nooit grip op krijgen, net zomin als op het leven zelf. Of is dat een conclusie achteraf?

Juist die twijfel, dat permanente gevoel dat iets je uit de vingers glipt, is de kracht van deze tentoonstelling. Wie het werk van De Rijke/De Rooij nu bekijkt, krijgt de indruk dat ze de kunst nodig hadden om greep op het leven te krijgen – en omgekeerd. Dat ze beseften dat keuzes, beperkingen, kunst en leven zin gaven. En dat er door de kracht van die keuzes een oeuvre is ontstaan dat zich over de dood van een van zijn makers heen kan zetten. Dit is nog niet af.

Jeroen de Rijke/Willem de Rooij. T/m 13 april 2008 in K21 Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, Ständehausstrasse 1, Düsseldorf. Geopend: di t/m vr. 10-18 u, za, zon- en feestdagen 11-18 u. Gesloten op 24, 25 en 31 december. Inf. www.kunstsammlung.de