Waar moeten we met onze wildheid heen?

Nu Nederland met succes de wildheid van het leven heeft ingetoomd, is de vraag of er nog een weg terug is.

Want onze eigen energie moeten we ook ergens kwijt.

Oscar Wilde zei het al: „Als de goden je willen straffen, verhoren ze je gebeden.” Eeuwenlang hebben Nederlanders geprobeerd de wildheid van het leven uit te bannen en nu we daar als samenleving in slagen, zitten we pas echt met de gebakken peren. De wilde wolven zijn verdreven, de moerassen zijn gedempt, donkere hoekjes worden met neon verlicht en enge mannen worden opgesloten. Verzekeringen worden afgesloten en op ieder raam zit een dubbel slot. We zijn de unicura-generatie: geen risico wordt geaccepteerd. Geen bacterie krijgt bij ons een kans.

Het probleem zit, zoals wel vaker, in onszelf. Hoe meer we de wildheid uit ons leven bannen, des te groter het gevoel van onbehagen dat ervoor in de plaats komt. Want met de wildheid om ons heen sterft ook de wildheid in onszelf, de wildheid die het bloed sneller doet stromen, die blosjes op de wangen tovert, lichtjes in de ogen en kracht in onze spieren.

Een algemene versuffing dreigt. Massaal hangen we ’s avonds op de bank om lusteloos naar de meest domme televisieprogramma’s te kijken. Depressie ligt op de loer. Bij jonge mensen die zich verstrikt voelen in een fijnmazig net van regels en van gekkigheid niet weten waar ze met hun energie heen moeten, zien we nog wel eens een enkele stuiptrekking van vandalisme, rellen en zinloos geweld, maar dat was nu ook weer niet de bedoeling.

Met name jongeren hebben ruimte nodig om hun eigen, natuurlijke wildheid te verkennen. Ze kennen vaak hun eigen krachten én hun eigen grenzen niet. Het is bekend dat mensen die op jonge leeftijd veel ravotten, vallen en daarbij af en toe een buil oplopen, op latere leeftijd veel minder blessuregevoelig zijn. Je leert, letterlijk, met vallen en opstaan. Ook de basis voor groepsgevoel wordt in jonge jaren gelegd, tijdens het regelvrije rondscharrelen op straat. Jeugddelinquenten hebben hier vaak de kans niet voor gehad. Dure survivaltochten van de reclasseringsraad leren dat, zelfs nadat deze jongeren in de problemen zijn gekomen, op dit vlak nog veel te winnen is.

Maar ons land kent geen regelvrije zones meer. Natuurlijke wildheid voelt zich niet thuis op asfalt en beton, en ‘wilde natuur’ moet eerst per bestemmingsplan worden geregeld. Geen boom is beklimbaar voordat hier in vergadering overeenstemming over is bereikt. Want zeg nu zelf: wie is aansprakelijk als iemand eruit valt?

Aan de succesvolle verbanning van wildheid uit het openbare leven kunnen we weinig doen. De terugweg is vrij onbegaanbaar. Neem de Amsterdamse wijk Bos en Lommer, getooid met een naam die meer natuur doet vermoeden dan er in werkelijkheid te vinden is. Kinderen kunnen praktisch nergens veilig spelen en jongeren zijn ’s avonds welhaast automatisch tot stoepen en straathoeken veroordeeld. Dat is jammer omdat er, tussen de hoogbouw, tal van binnentuinen zijn die relatief eenvoudig voor alle omwonenden kunnen worden opengesteld. Er liggen vele hectaren groen, precies op die plek waar de vrije ruimte het meeste nodig is. Toch zijn er grote aarzelingen om deze binnentuinen te ontsluiten.

Bestuurders zien zich geconfronteerd met een van het nieuwste dilemma’s van de moderne tijd: de behoefte van jongeren om hun ‘natuurlijke wildheid’ de ruimte te kunnen geven in sport en spel, versus de immer groeiende behoefte aan veiligheid in de wijk. Je gunt de stadsjongeren voldoende ruimte en groene plekken, maar je kunt er niet omheen dat vrije ruimtes zo schaars zijn, en de natuurlijke wildheid bij velen zo onderdrukt, dat je hoogstwaarschijnlijk binnen de kortste keren te maken krijgt met een opeenhoping van ellende. Relschoppers in de schaduw; condooms en heroïnespuiten in de bosjes. Wie niet met vrije ruimte is opgegroeid, kan er ook niet goed mee omgaan.

En dus groeit er weer een nieuwe generatie gefrustreerde jongeren op, waardoor de boel nog meer vastloopt. Ik probeer oplossingen te bedenken. Gedoseerde ontregeling, beheerste ontstemming: op dat soort termen kom je uit. Geen wethouder die het aandurft.

Daar sta je dan.

Een stel kinderen staart dromerig door de balustrade van hun balkon naar beneden; hun handen schoongewassen, geen vlekje op hun broek. Zelf gluur ik door een afgesloten hek. Het gras, de bomen en de struiken zijn buiten ons bereik. Ik vraag me af: waar moeten we met onze wildheid heen?

Algemeen directeur van Stichting wAarde, een denktank binnen de natuurbeweging.