Vuil randje

Misschien wordt zondag wel zijn dag. De dag van zijn rijping. De dag waarop hij beseft: ja, zo ben ik. Ziehier mijn identiteit als trainer. Eindelijk gevonden. De locatie zal schitterend zijn. Het stadion Santiago Bernabéu zal schreeuwen zodra hij in beeld komt, hij, Frank Rijkaard, coach van FC Barcelona en dus gehaat als symbool van Catalonië. Rijkaard zal de spanning in zijn lijf voelen en dan komt het erop aan: blijft hij zichzelf?

Toen hij nog rondliep in een kort broekje duurde het ook vrij lang. Hij begon als een vrolijke middenvelder, in volmaakte ontkenning van het verschil tussen het Balboaplein in Amsterdam en de eredivisie. Zijn coach, Johan Cruijff, werd gek van hem. Die Frank leek nooit een serieuze prof te zullen worden. Te zachtaardig, te melig voor het grote werk. Frank op zijn beurt werd gek van Johan, van al zijn kritiek, en liep zomaar weg. Hij trok door Zuid-Europa en besteeg de troon op het EK van 1988. Zelden zag de wereld een betere centrumverdediger dan Rijkaard in die zomer.

Twee jaar later zagen we de klodders die even te voren nog in de keel van Rijkaard hadden gezeten in de krullen hangen van Rudi Völler. Was hij dat? Jij, hij was het. Helemaal buiten zichzelf, en op de een of andere manier vanaf die dag helemaal in zichzelf. Een goedaardige voetballer met een vuil randje. Een bijna verlegen jongen die zijn momentjes van smerigheid binnen het betamelijke hield.

Toen werd hij trainer. Hoe zou hij zijn? Hij wist het niet. Onbevangen, in volmaakte ontkenning dat een bondscoach wezenlijk anders is dan een topvoetballer, rommelde hij Nederland naar de halve finale van het EK 2000. Zelden zag de wereld zoveel geestelijke afwezigheid op de bank, zulke rare wissels. Rijkaard trok zich terug in de anonimiteit, en keerde weer. Bij Sparta, dat degradeerde. Nog steeds vrij onbevangen ging hij naar FC Barcelona. Eerst gelaten, in zijn schulp en daarna steeds, ja, Spaanser. Bij oplopende spanningen ramde zijn vuist tegen de wand van de dug-out. Rijkaard vloog overeind, begroef zijn krullenkop in zijn handen. Juichte. Zelden zag de wereld een beter team dan FC Barcelona in 2006.

Eind november, Lyon. Wilde gebaren naar de scheidsrechter, handen vol verwijten in de lucht. Het valse gefluit van de arbiter maakte hem gek. Ze moesten Frank, een wilde, een dolle, wegleiden naar de tribune. Voor straf twee Champions-Leaguewedstrijden niet op de bank. Was hij dat?

Verliest FC Barcelona zondag en komt zijn team daardoor op flinke achterstand van Real Madrid, en weet Rijkaard zich te beheersen, afgezien van een smerig momentje, dan zullen we zeggen: hij heeft zichzelf gevonden, opnieuw. Een goedaardige trainer met een vuil randje.