Voer voor de kraaien in Vlaanderen

‘Jacob komt niet uit de verf’, klaagt iemand op de leesclub-site. Een ander vindt het boek ‘van een ondraaglijke lichtheid’. Zo is het precies, en dat was ook de bedoeling van Virginia Woolf. Discussieer mee op nrc.nl/leesclub

De inkt vloeit, de baai trilt en de vuurtoren wiebelt: meteen op de eerste pagina van Jacobs kamer is alles in beweging. En dat blijft zo, het hele verhaal lang. Je zou er duizelig van worden, hoe alles hier glijdt, fladdert, kolkt, waaiert, bolt, trippelt, tinkelt of dreunt: ‘niets kwam tot rust of bleef onverstoord’. Zelfs levenloze dingen, zoals bloemen in een vaas, kunnen bewegen: een schoorsteen ‘wijst’, huid ‘valt’ in plooien, op een schilderij ‘offreert’ een meisje rozen. Als er schepen met steenkool langsvaren, zijn dat bij Woolf geen statische bergen of hopen steenkool, maar ‘lawines van steenkool’.

En dan is er nog de stijl, die al net zo beweeglijk is. Woolf springt van een ambtelijk discours naar een academisch, naar huishoudelijke taal over de vraag hoe je anjers nu het beste mooi houdt tijdens een dansfeest. Die springerige vorm moet de beweeglijkheid van het leven zelf weerspiegelen in het geschreven woord: daarin schuilt het voor modernisten zo cruciale samenvallen van vorm en inhoud. Jacobs kamer verscheen in 1922, net als T.S. Eliots The Waste Land en Ulysses van James Joyce, waar het boek in veel opzichten aan doet denken. Net als Joyce wil Woolf het leven zelf in álle facetten en in alle talen zien te omvatten: van moeders en dienstmeisjes, die samen hun ‘eeuwige komplot smedend van stilte en schone flessen’ tot de daadwerkelijk samenzwerende politici in Whitehall (in die tegenstelling lees ik overigens, net als Elsbeth Etty, wel degelijk een expliciete pacifistische boodschap).

Midden in dat gewervel staat maar één ding stil, en dat is Jacob. In het voortdurend wisselende perspectief wordt hij steeds door anderen bekeken: zijn moeder, een vroegere leraar, een Grieks kamermeisje, een treinpassagier laten allemaal hun blikken langs hem schampen: ‘Niemand ziet een ander zoals hij is, laat staan een oudere dame die in een trein tegenover een vreemde jonge man zit. Ze zien een geheel – ze zien van alles en nog wat – ze zien zichzelf.’

Dat maakt van de jonge held, en dat is ook de bedoeling, het min of meer lege middelpunt in dit wervelende verhaal. Hij wordt weliswaar omschreven als ‘echt’ en ‘massief’, maar tegelijk is hij een schim. Vandaar dat zijn rieten stoel ergens kraakt zonder dat er iemand in zit, en vandaar dat er al vroeg in het verhaal staat: ‘hoe dan ook, het leven is slechts een optocht van schimmen en God mag weten hoe het komt dat we ze zo hartstochtelijk omhelzen en ze met zo veel smart zien vertrekken, terwijl het toch maar schimmen zijn’. Ook de manier waarop Woolf de tijd beschrijft heeft een zekere dreiging: klokken tikken en slaan voortdurend, en vooral waar het een keer ‘dwars door de buitelende klanken vier uur sloeg’, lijkt ze een naderend einde aan te kondigen: de beweging van het leven zelf, ruw onderbroken door de Tijd.

Ook als je let op de bewegingen die zich voltrekken in de roman, blijkt Jacob een statisch middelpunt. In een van haar vele overpeinzingen over het schrijven zelf vraagt de vertelster zich af waarom haar gedachten toch al die tijd gemagnetiseerd ronddraaien ‘om een jonge man die alleen in zijn kamer zit’. Elders staat hij stil met Fanny tegen een hek geleund, maar ‘het schokkende radarwerk van de wereld werd feilloos draaiend mee gesleurd in die snelle draaikolken en stroomversnellingen’. Hoe vaak beweegt niet alles behalve Jacob? Hij blijft in zijn leunstoel achter, hij zit op een stoel met een kind op schoot, hij wordt in een laken gehuld en op het laatst is Jacob in de ogen van Fanny ‘meer dan ooit als een standbeeld, nobel, zonder ogen’.

De enigen die ook op zo’n onverklaarbare wijze verstenen, zijn andere jonge mannen: ‘de jonge Curnow werd roerloos als een stenen beeld’, terwijl naast hem twee vrouwen druk kwebbelen over schimmel in de aardappels. Ik denk dus niet dat je, zoals Elsbeth Etty stelde, heel goed op hoeft te letten om te zien dat deze personages leven aan de vooravond van WO I. Niet alleen omdat er halverwege het verhaal staat dat Jimmy voer zal zijn voor de kraaien in Vlaanderen, maar vooral door de cadans van de roman. Het is een rondedans met Jacob als statisch en al haast versteend centrum, die vooruitwijst naar het gruwelijke einde. Jacobs kamer ontroert niet alleen door de werveling van het leven, maar ook door de dreiging van de dood in het hart daarvan.

Volgende week in de Leesclub: J.J. Peereboom over ‘Jacobs kamer’