Veiligheidsonderzoek

Over onderzoek aan bomen. Aflevering in een serie over bekende en onbekende bomen in Nederland.

Het is altijd een voorrecht om een vakman aan het werk te zien – in dit geval een man bij de inspectie van een markante plataan aan een drukke straatweg, de onderzoekende blik van iemand die een markante boom wel kan waarderen, maar zich niet zal laten bedotten.

Hij kent de lichaamstaal van bomen. Hij zegt iets over de verdeling van lang- en kortloten. Hij zegt: „Als hij in de kroon goed is, is hij in de wortels meestal ook goed.” Maarten Ariëns (40) van Foreest Groen Consult (eenmansbedrijf), voor de gemeente Duiven (bij Zevenaar) bezig met onderzoek van de veiligheid van een 28-tal bomen aldaar.

„In de mechanische structuur”, zegt hij, „zie ik geen gekke dingen.” Hij is oud, de plataan, en duidelijk in de tweede helft van zijn leven, een beetje aan het teruggroeien. Net als een terugtrekkend leger, heeft een teruggroeiende boom het voordeel van verkorte aanvoerlijnen; dat spaart energie.

„Hij reageert”, zegt Ariëns, „goed op snoeiwonden.” Daar vormen zich wondhoutlijsten om de nieuwe spanningen te verdelen en om, zo mogelijk, de wond te sluiten.

Bekijken we de stam wat nader, dan zien we een elfenbankje, maar dat kan geen kwaad, en de aanzet van vlier in een geïsoleerde holte, maar die leeft wel op, maar niet van de boom. Verder een evenwichtig groeipatroon van hout.

„Onder die takaanzet”, wijst Ariëns, „zit een verruwing van de schors; daar zit wat spanning, maar niet extreem.”

Dan beklopt hij de plataan met een hamer met een rubberen kop. Tot op aanzienlijke hoogte hol. Hij neemt een prikpen, steekt hem naar binnen en bekijkt wat er zoal aan de punt zit als hij hem weer terughaalt.

„In 2004”, zegt hij, „had hij een grote natkern. Maar daar gaat ook een conserverende werking van uit; de schimmels krijgen dan geen zuurstof.”

Nu neemt hij een meetlint met een dubbele maatverdeling, zodat je tegelijk met de omtrek (gedeeld door pi) de diameter kunt aflezen – 181 cm. En opnieuw met de prikpen naar binnen. „Er zit”, constateert hij, „een meter rot in. Dus nog 40 cm hout rondom, ruim boven de norm van Mattack.”

Matteck vond dat een boom veilig is zolang een zesde van de stamdiameter intact blijft.

„Zijn er”, vraag ik, „geen defecten die je over het hoofd kunt zien?”

„Massaria”, antwoordt de vakman prompt. Een schimmeltje uit het zuiden. Verkleurt een tak aan de bovenkant; dat zie je zomaar niet. Kan de dikste tak in een paar maanden zo aantasten, dat hij finaal van de stam breekt. Speciaal bij platanen.

Afijn, deze plataan is vitaal. Slechter is het gesteld met een bescheiden esdoorn, verderop in het plantsoen. Die bevindt zich echt in de gevarenzone.

Honingzwam. De verdorde vruchtlichamen zitten nog op de stam. Als je een spade neemt en een grachtje rond de voet graaft, stuit je op een soort haarwortels, die echter geen vaste kern blijken te hebben – ze horen bij de parasiet, niet bij de boom.

Honingzwam veroorzaakt witrot. Bij witrot verdwijnt de lignine; het hout wordt papperig, Bij bruinrot verdwijnt de vezel; het hout wordt bros. Bij zachtrot verdwijnen beide.

„Je kunt”, zegt Ariëns , „de conditie van deze boom verbeteren door hem te beluchten en te bemesten. Misschien kan hij dan zelf zijn afweer verzorgen. Zolang een boom harder kan groeien dan de schimmel kan aantasten, is er weinig aan de hand.”

Maar die beslissing is niet aan hem, die is aan zijn opdrachtgever, de gemeente. Zoals het ook aan de gemeente is om te beslissen over de volgende boom, een eik aan de Woerdstraat, aan het eind van zijn krachten. Acuut gevaar is er niet, te meer daar zijn kroon al helemaal is teruggesnoeid, maar veel toekomt is er evenmin.

„Jammer”, zegt Ariëns. „Die staat hier sinds 1920, die heeft het goed gedaan, maar als hij weg is, zal geen mens het in zijn hoofd halen om hier weer een boom neer te zetten.”

Hoe langer het duurt, hoe meer zijn onderzoek, in mijn beleving althans, medische trekjes krijgt. Voor ons is het veiligheid, voor de boom is het zijn bestaan.

Koos van Zomeren