Tijd is rekbaar als Hubba-Bubba kauwgom

Componist Leif Segerstam voltooide al bijna 190 symfonieën met de Finse natuur als inspiratiebron. Ze dienen zonder dirigent te worden uitgevoerd. „Het is extreem eenvoudig!”

Nummer 157 begint met feeëriek getingel in harpen en piano’s. Een monotone vogelroep in de violen. Een Fins sprookjesbos? Blazers spelen een trollerig dalend lijntje, steeds sneller, los van alles. Grommende pauken komen erbij, dreigend koper. De chaos neemt toe, natuurgeweld verdringt de sprookjesachtigheid. Onder een onheilspellend koperakkoord breekt de aardkorst open. Nerveus rondcirkelende strijkers à la Sibelius ontvluchten een Wagneriaanse melodie in de blazers. Het geweld ebt even weg, om ruimte te scheppen voor een nieuwe, nog hevigere uitbraak.

De natuur inspireerde nergens tot zoveel intrigerende en diverse muziek als in Finland. Hoor de betoverde bossen in Sibelius’ Tapiola en de kwetterende poolvogels in Rautavaara’s Cantus Arcticus. Zelfs het noorderlicht werd verklankt in Saariaho’s Lichtbogen. Natuurlijk, je kunt deze muziek ook horen zonder direct aan arctische vergezichten te moeten denken. Maar juist bij veel Finse componisten is de natuur daarvoor te nadrukkelijk aanwezig. Niet alleen als plaatje, maar vooral ook als dynamiek: in de bewegingen van wind, water, ijs, aardlagen zelfs. Eén componist spant in elk geval kwantitatief de kroon: Leif Segerstam (geb. 1944) onttrok al 190 symfonieën noot voor noot aan de Finse natuur.

Honderdnegentig: het is nogal een aantal. Zijn beroemde landgenoot Jean Sibelius (1865-1957) liet zeven symfonieën na. Veel anderen kwamen niet voorbij de beruchte negen: Beethoven, Bruckner, Mahler. In de middenmoot bevinden zich Sjostakovitsj (vijftien) en Mozart (eenenveertig). Recordhouder was altijd Haydn, met 104 symfonieën (sommigen zeggen 106), waarvan de laatste in 1795 werd gecomponeerd. Pas in 2004 werd hij geëvenaard door Segerstam. Die noemde zijn 104e symfonie Ah, finalmente!..., met een citaat uit Tosca van Puccini (nul symfonieën).

Morgen klinkt in het Concertgebouw voor het eerst zijn nummer 177, één van de dertien die hij alleen dit jaar al voltooide. De nummers 186 t/m 190 zijn parallel in voorbereiding. Dat het Guiness Book of Records hem niet wil opnemen, is hem een doorn in het oog („Gebrek aan competitie, wat een onzin!”), maar het staat onomstotelijk vast: Leif Segerstam is wereldkampioen symfonieën schrijven.

Donderdag, 6 december 2007

. Een koude en regenachtige dag in Helsinki. Het is negentig jaar geleden dat de Finnen zich van Rusland afscheidden, maar ze blijken vandaag geen grote feestvierders. Op deze Onafhankelijkheidsdag zijn de straten vol prachtige art nouveau vrijwel uitgestorven. Een ceremonie kun je hoogstens vermoeden in de voor het publiek afgesloten kathedraal, waar hoogwaardigheidsbekleders zich naar binnen haasten. Een groepje demonstrerende gehandicapten verpietert in de regen. Een kerstmarkt met Finse huisvlijt, in een oud havengebouw even verderop, wordt goed bezocht, maar ook daar kun je niet over de hoofden lopen.

Wie iets van nationale trots en saamhorigheid wil ervaren, heeft eigenlijk maar één keuze: naar een concert gaan. Nergens is de nationale identiteit zo verbonden met klassieke muziek als in Finland, en vooral met het werk van één componist: Jean Sibelius. Hij vond de Finse identiteit in zijn muziek uit toen het land nog onder Rusland viel. Zijn Tweede symfonie uit 1902 werd beschouwd als symbool van de onafhankelijkheidsstrijd, en zijn Finlandia is het officieuze volkslied. Hij werd een nationale held. In welk ander land is de belangrijkste nationale historische figuur met zoveel voorsprong een componist?

In Finlandia Talo, de nationale concertzaal en thuisbasis van het Helsinki Philharmonic Orchestra, verzamelt zich tegen drie uur ’s middags een chic, in stemmig zwart gekleed publiek. Dit concert is slechts één van de vele vandaag – gezien de posters overal in de stad – maar duidelijk het meest prestigieuze.”

De entree van chef-dirigent Segerstam is zelfs voor de Finnen nog een indrukwekkende gebeurtenis: met zijn 170 kilo zware lijf en onstuimige witte haardos (hij noemt zich „de broer van de Kerstman met de baard van Brahms”), is hij ook onder landgenoten een unieke verschijning.

Op het programma staat Kullervo, op. 7, een grootschalig werk voor mannenkoor en orkest waarmee Sibelius in 1892 zijn naam vestigde. Het is gebaseerd op de Kalevala, het nationale epos. Segerstam laat het werk op zijn allerfinst horen, met scherpe accenten en resoluut afgeronde zinnen in het koor. Zó moet Sibelius gedacht hebben dat de Finse taal muzikaal gestalte kon krijgen, met net als in de natuurlijke taal de klemtoon op de eerste lettergreep van elk woord. Je hóórt de tragische titelheld Kullervo als stoere Fin ten strijde trekken en met grotesk drama sterven. Het orkest speelt organisch, down-to-earth – ver van de kristalheldere, maar soms wat steriele Sibelius die elders vaak te horen valt.

Na afloop wordt er luid en lang geapplaudisseerd. De toegift staat al vast: geen Onafhankelijkheidsdag zonder Finlandia. De patriottistische hymne aan het slot van het instrumentale werk wordt door het mannenkoor plechtig meegezongen. Ondanks de titel klinkt de muziek van vooral de hymne nauwelijks ‘Fins’. Misschien kon de melodie daarom gerecycled worden als volkslied van – of all places – Biafra?

Het contrast tussen de statige sfeer

die Segerstam op het concert creëert, en hoe hij de Nederlandse journalist na afloop ontvangt, is enorm. Hij lijkt nog high van het intensieve dirigeren, is druk, ongeduldig, en ratelt toch een uur lang aan één stuk door. Sibelius kijkt vanaf een levensgroot schilderij aan de muur van de dirigentenkamer vaderlijk mee.

Gevraagd waarom hij nog altijd méér symfonieën denkt te moeten componeren, houdt Segerstam een monoloog over een oud vrouwtje dat niet kwam opdagen bij de kapper, ufo-waarnemingen (hij gelooft er niet in), symfonie nummer 173 en zijn baard. Alles heeft met elkaar te maken: „Te veel coïncidenties, dus ik dacht: ik maak er een symfonie over.” Het werd nummer 190, getiteld ‘UFO, Under F & Over’. Maar komen niet in álle muziek tonen onder en boven de f voor? „Ja, natuurlijk!”, brult hij geamuseerd uit, „maar zó kom ik aan een naam, en die geeft me een reden om weer te gaan noteren.”

In dat woordje ‘noteren’ zit meer betekenis dan op het eerste gezicht lijkt. Segerstam noemt zichzelf geen componist maar een „toonkiezer”. „Ik kies tonen, de een na de ander. Zoals de schilder Paul Jenkins in zijn beroemde schilderij From one point to another.” Het klinkt als een gemeenplaats – alle componisten ‘kiezen’ hun tonen – maar Segerstam is er bloedserieus over. Tonen en geluiden zíjn er volgens hem al, in de natuur – bij voorkeur de Finse, met haar ‘rijke register’. Hij hoeft ze maar op papier te zetten, met zo min mogelijk kunstmatige toevoegingen. „Zelfs maatstrepen zijn eigenlijk al te veel constructie. Als je naar een weide in de Alpen kijkt, is de timing van de bloei van een bloemetje of de vraag welke plek begroeider wordt dan andere, afhankelijk van allerlei toevallige omgevingsfactoren. Dat is deel van het leven. Die mate van willekeur moet je ook het muzikale materiaal gunnen.”

Daarom worden Segerstams symfonieën ook altijd zonder dirigent uitgevoerd, al zijn er meer dan honderd musici nodig. Nogal verrassend, voor iemand die zijn brood verdient als dirigent. Het begon toen hij in 1993 een compositie schreef ter nagedachtenis aan een overleden collega-dirigent uit Estland – ongedirigeerd, want het verweesde orkest zou het stuk gaan spelen. Dat werkte zo bijzonder, zegt hij, dat hij sindsdien alleen nog werken schrijft die zonder dirigent moeten worden gespeeld. Voor zichzelf – zijn symfonieën worden vrijwel uitsluitend in zijn aanwezigheid uitgevoerd – voegt hij altijd een extra pianopartij toe.

De muziek verloopt toch redelijk gestructureerd doordat bepaalde muzikale signalen – een markante inzet in de piccolo, een pianoakkoord – aangeven wanneer de musici naar de volgende sectie moeten gaan. Binnen secties is de timing van musici tamelijk vrij. „Free-pulsatively” noemt Segerstam dat, in zijn eigenzinnige Engels. ‘Met vrije puls’. Musici kunnen binnen bepaalde grenzen op elkaar reageren: meegaan, een tegenbeweging initiëren, enzovoorts. Instrumentgroepen spelen wel vaak samen, geleid door hun aanvoerder.

„Het is extreem eenvoudig,” legt hij op onderwijzerstoon uit. „We spelen, en als we door onze noten heen zijn, wachten we op het volgende signaal. Of we blijven herhalen tot het signaal. En als het signaal komt, ga je verder.” De tijd is niet meer zo strak gedefinieerd als in gedirigeerde muziek; het ‘nu’ wordt als het ware verbreed. „Tijd bestaat niet, slechts continuïteiten”, zegt Segerstam. „Tijd ontstaat pas als je het probeert te meten in relatie tot iets anders. Het is zo rekbaar als Hubba-Bubba kauwgom.”

Van de ver doorgevoerde willekeur van een componist als John Cage, aan wie Segerstams loslaten van de tijd doet denken, distantieert hij zich: „Hij heeft wat grappige dingen, maar hij geeft geen fuck meer om de noten die hij kiest. Bij Cage moet je vooral een goede stage performance hebben. In mijn muziek kun je wél foute noten spelen.” Ook van atonaliteit – muziek vrij van de klassieke regels van consonantie en dissonantie – moet hij niets hebben. Atonale componisten („Neanderthalers”), maar ook spectralisten als Murail, wiens Gondwana hij morgen dirigeert, mogen blij zijn dat hij als dirigent over de virtuositeit beschikt om hun muziek tóch tonaal te laten klinken. „Ik luister naar organische ontwikkelingen in het muzikale materiaal, en op die manier kan ik ze redden. Maar zelf zou ik nooit zo schrijven.”

Segerstam veronderstelt dat ik nog lang niet genoeg van zijn muziek gehoord heb, dus hij stopt zijn iPod in mijn handen. „Hier, neem maar mee. De nummers zestig tot honderdzestig staan erop, voor zover uitgevoerd. Ik krijg hem morgen wel van je terug.”

Die nacht luister ik lukraak naar wat symfonieën: nummer 128, 60, 104, 164. Allemaal ongeveer 24 minuten lang, want Segerstam houdt bijna altijd vast aan dezelfde indeling – zes delen van vier minuten. De muziek is op een eigenzinnige manier onsamenhangend, vol invallen en gebeurtenissen die aan je voorbijtrekken als een landschap. Tussen talloze momenten van chaos en geweld zitten veel overrompelende opklaringen en ontroerende verstillingen.

De volgende dag – de straten van Helsinki bruisen gelukkig weer – breng ik zijn iPod terug. In de royale woning in een rustige buitenwijk huppelen de drie jonge kinderen uit zijn tweede huwelijk rond. Segerstam gaat verder waar hij gisteren gebleven was: over zijn fascinatie met nummers en nummerborden, die hem vaak op ideeën brengen, over zijn opa, een sjamaan die bloedingen kon stoppen, en over het ‘Finse Wonder’: niet Nokia, maar het feit dat er zoveel goede componisten, dirigenten en musici uit Finland komen. Aan mijn opsomming van namen voegt hij er vele toe. Het wonder is te danken aan Sibelius, bevestigt Segerstam mijn vermoeden. Het belang van muziek zit er bij de Finnen dankzij hem nu eenmaal goed in.

Van zijn eigen symfonieën heeft hij er inmiddels zo’n honderd horen uitvoeren. „Ik kan niet ontkennen dat ik een grote voldoening voel als ik hoor dat mijn notaties werken. Natuurlijk zijn er ook dingen waarover ik minder gelukkig ben, maar dat materiaal gebruik ik later opnieuw, beter.” Hij ‘kiest noten’ op de momenten dat hij tijd heeft, en wat hem er het meest vanaf houdt is zijn drukke dirigentencarrière. Nummer 77 schreef hij in de pauzes van het WK voetbal.

Dan een bezoek aan Ainola, het buitenhuis waar Sibelius veel componeerde. Het staat bij een meer, een half uur noordwaarts met de trein vanuit Helsinki. Al tijdens Sibelius’ leven was het een bedevaartsoord. Nu is het een museum, althans in de zomermaanden.

Het is stil bij het idyllische houten huisje. Zou hij het aandoenlijke vogelhuisje op de vensterbank zelf hebben getimmerd? Het is niet moeilijk je zijn blijdschap voor te stellen als hij hier een kraanvogel zag of hoorde. Die dag is hij 142 jaar geleden geboren: Jean Sibelius, met wie het in Finland allemaal begon.

Radio Philharmonisch Orkest o.l.v. Leif Segerstam. Werken van Sibelius, Segerstam, Murail en Tsjaikovsky. 22/12 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 22/12 14.15u en 25/12, 20.00u.