Schönberg: goed en voorspelbaar

Klassiek: Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw, met Barbara Hannigan. Werk van Wallin, Schönberg, Abrahamsen en Van de Putte. Gehoord: 20/12 Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam.

In een concertprogramma dat recht deed aan het heersende winterweer, bevocht het Schönberg Ensemble gisteren driemaal vanuit de ijzige hoogte een warmer, menselijker geluid.

Het meest aansprekend gebeurde dat in Jan van de Puttes prachtige Uma Só Divina Linha (2006), op tekst van de Portugese dichter Fernando Pessoa, alias Álvaro de Campos. Het werk begon met holle lettergrepen die uit het niets kwamen aanwaaien; gaandeweg kwamen er meer instrumentklanken bij.

Van de Putte geeft dit proces van muzikale ontsluiering, waarbij steeds meer melodie tevoorschijn komt, op hoogst poëtische wijze vorm. Het lijkt voltooid op de woorden ‘Torna-me humano’ (‘Maak mij menselijk’), waarna het versneld omkeert, en via expressionistische uithalen van de sopraan uitmondt in een dreigend slot.

In opzet is het werk nauw verwant met Rolf Wallins Boyl (1995). Ook daar is voortdurend een grillige melodische kern aanwezig, waarvan steeds meer te horen valt. Vanuit gedempt hoog gekriebel in de strijkers verwijdt het zich in een nu meer natuurkundig proces via luide salvo’s naar spectralistisch aandoende erupties. Ondanks voortreffelijk spel kon het ensemble niet verhinderen dat juist de meest energieke momenten een wat voorspelbaar karakter kregen.

Hans Abrahamsens Schnee is een op veelvuldige herhalingen gebaseerd werk waarin een eenvoudig pianomelodietje afdaalt tussen hoge, hijgerige pulsjes in de strijkers. Door die steeds nadrukkelijk aanwezige puls, later voortgezet in rondschuivend papier, wil de neiging naar totale stilstand niet doorzetten, en houdt het werk iets onbestemds. Doordat het zonder dirigent gespeeld werd, slaagden de musici er ook minder in de partituur te ontstijgen.

Abrahamsen orkestreerde ook Schönbergs vroege Vier liederen, op. 2, op teksten van Richard Dehmel. Het lukte hem niet om de eenvoud van Schnee vol te houden. Hij wil te veel inkleuren (onder meer met een on-Schönbergiaans orgeltje) en orkestreert te uitleggerig: elk motiefje wordt nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. De balans raakt hierdoor zoek, zodat sopraan Barbara Hannigan in de verdrukking kwam en krampachtig ging zingen. Ze had toch al niet haar beste avond: in Van de Putte leek ze weliswaar meer op haar gemak, maar toon, verstaanbaarheid en articulatie bleven geregeld problematisch, ook waar dat muzikaal níet de bedoeling was.