Recht op vijf liter bier per dag

Raymond van Uytven: Geschiedenis van de dorst. Twintig eeuwen drinken in de Lage Landen. Davidsfonds, 290 blz. € 29,95

De Leuvense hoogleraar Raymond van Uytven is al zijn hele carrière geïnteresseerd in het drankgebruik in de Lage Landen. In 1961 publiceerde hij hierover al in de voorloper van de huidige Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden (BMGN). Dit jaar verscheen met Geschiedenis van de dorst de synthese van bijna een halve eeuw studie. Van Uytven heeft zich in dit boek niet beperkt tot het aanbod van drank (alcohol, maar ook water, melk, koffie, thee en frisdranken). Hij brengt ook de vraagzijde goed in beeld. Bovendien maakt hij duidelijk welke politiek-militaire gebeurtenissen, economische ontwikkelingen, culturele processen of technische vindingen van invloed waren op drinkgewoonten.

Aan het eind van de Middeleeuwen waren de Duitse wijnen verreweg het meest geliefd en werd er nauwelijks of geen Rhônewijn geschonken. De verklaring, zo maakt Van Uytven duidelijk, hangt samen met de mogelijkheden en kosten van het transport. Zelfs de prijs van een vat wijn uit Bourgondië ging vier keer over de kop voordat het in de Zuidelijke Nederlanden kon worden verkocht.

De Duitse Rijnwijnen raakten uit de gratie als direct uitvloeisel van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Een tijdelijke klimaatverslechtering, de ‘Kleine IJstijd’, maakte de verstoring tussen vraag en aanbod structureel. Uit de koloniën aangevoerde producten, zoals thee, koffie en chocolade, vulden dit gat in de markt. Aanvankelijk was het alleen betaalbaar voor de bovenlaag, maar door vergroting van het aanbod werden deze dranken het schoolvoorbeeld van wat de socioloog Elias ‘een gezonken cultuurgoed’ noemde.

Vanaf dat moment zette een proces in dat tot de diep in de 20ste eeuw doorging: de bewoner van de Lage Landen dronk steeds minder alcoholische dranken. Terwijl een leidekker in Maastricht in de 18de eeuw nog recht had op een dagelijkse portie van meer dan vijf liter middelbier, zette vanaf het midden van de 19de eeuw een daling in van de alcoholconsumptie. Omgerekend in pure alcohol dronk in 1930 de Nederlander nog geen anderhalve liter. Aan het eind van die eeuw was zijn verbruik vervijfvoudigd.

Voor de overheid zijn deze cijfers reden voor bezorgdheid. Voor Van Uytven niet. Hij berekende dat de Fransman in de jaren dertig gemiddeld 24 liter pure alcohol consumeerde. Nog steeds is het gebruik er hoger dan in Nederland. Alleen de Britten, die hier juist met openbare dronkenschap worden geassocieerd, drinken minder dan de Nederlanders. Dit soort feiten maakt van De geschiedenis van de dorst een ontnuchterend boek.