Ons lieve slagveld

Smakelijke tafelscènes zijn zeldzaam in de Nederlandse literatuur. Of je nu denkt aan de pap- etende vader in De Avonden, aan de vergiftigde Didine in Hermans’ verhaal ‘Het lek in de eeuwigheid, of aan de onpersoonlijke coffeeshop-ontbijten die Mehlman met zijn vrouw deelt in Grunbergs Fantoompijn: wederzijdse weerzin belemmert ieder eetgenot. De meest ontgoochelende eetscène heb ik echter niet meer terug kunnen vinden – welke roman was het toch waarin een man zijn vrouw ziet die, zich alleen wanend, naakt tegen het aanrecht geleund staat, en een boterham met kaas eet? Als ik het me goed herinner, tilt zij ook nog met één hand haar reeds hangende borst wat omhoog, en laat die weer vallen. Met die liefde komt het nooit meer goed.

Nog veel grimmiger wordt het in Een nagelaten bekentenis, de naturalistische roman van Marcellus Emants uit 1894. Of het nu het ‘tweede ontbijt’ is, het middageten of het diner: er wordt óf gezwegen, óf geschreeuwd aan tafel bij het grauwe, liefdeloze echtpaar Termeer. Hun disputen vinden plaats op het ritme van de gangen, van het komen en gaan van het dienstmeisje: ‘Het binnenkomen van de meid belette me weer door te razen en ’t was me, als voelde ik een rem, die werd aangeschroefd en mijn hersenen eensklaps met geweld samenperste’.

Het ritueel is blijkbaar hardnekkig. Zelfs nadat Termeer het bed allang niet meer deelt met zijn vrouw Anna, blijft de tafel een dagelijks samen bezocht slagveld, waar op den duur niets meer te zeggen valt: ‘en dan deed ieder zwijgend, alsof er niemand anders in de kamer ware. Wanneer ik aan die laatste dagen denk, dan hoor ik weer het doffe kletteren van vorken, lepels en messen, het kleppen van de jaloezies, het zeuren van het theewater, de galmende slagen van de pendule, en om die geluiden heen als een dik foedraal de doodse stilte. –’

Die stilte tijdens het eten kan in Een nagelaten bekentenis in vele verschillende toonaarden voorkomen – de beschrijving daarvan boeide Marcellus Emants (1848-1923) duidelijk meer dan wát er uiteindelijk gegeten werd (schrale Hollandse bouillon in een soepterrine, stel ik me zo voor – laat een mergpijpje 24 uur trekken en voeg soepgroenten toe). In het begin van het verhaal is het tafelen voor de mensenschuwe hoofdpersoon nog een moment van hoop, hoop op contact of om alsnog een ‘gewoon mens’ te worden tussen de anderen. Maar of hij nu aanschuift bij buitenlandse tables d’hôtes, verstikkende Haagse diners of ontbijten in ontluisterend ochtendlicht: het eindigt steeds in zwijgen.

De definitieve stilte valt wanneer meneer aan het ontbijt zit, en de meid komt vertellen dat mevrouw boven dood in bed ligt. Eten deed hij overigens toch al niet die ochtend: geen honger nadat hij die nacht zijn echtgenote met haar slaapmiddel vergiftigd had.

Marcellus Emants: Een nagelaten bekentenis. Maarten Muntinga, 253 blz. € 12,50