Hoor het bintje gillen

Van de ‘Odyssee’ tot ‘De oesters van Nam Kee’ – er is heel wat gesmikkeld en geslempt in 2700 jaar literatuur. Maar heeft de voedselbellettrie nog toekomst?

‘Bitter nipte ik aan mijn whisky, draaide mijn sigaret uit op de snijplank en keek naar een insect dat uit de wasbak probeerde te kruipen. Wat ik nodig had waren een tafel bij Maxim’s, honderd piek en een prachtige blondine; wat ik had waren een lamsbout en geen flauw benul.’

De stijl van deze passage zal de liefhebbers van hardboiled literatuur bekend voorkomen: dit moet wel een monoloog zijn van Philip Marlowe, de privédetective die in de meeste romans van Raymond Chandler de hoofdrol speelt. Maar het onderwerp is vreemd. ‘Echte mannen eten geen quiche’ luidde de titel van een bestseller uit de jaren tachtig; en een Marlowe maakt geen lamsbout klaar. Hij zou hem – in geval van noodweer – hoogstens gebruiken als wapen.

‘Lam met dillesaus’ is dan ook geen verhaal van Chandler, maar een hoofdstuk uit het parodieënboek Kafka’s Soep van Mark Crick. In kort bestek geeft de schrijver-illustrator een overzicht van de wereldliteratuur in 14 recepten, van ‘Hartige uientaart à la Geoffrey Chaucer’ (op rijm, als een Canterbury Tale) tot ‘Romige chocoladetaart à la Irvine Welsh’ (‘Er ligt een berg bruin spul in de pan, dus ik vet twee taartblikken in en giet het mengsel erin’). Het ene gerecht is aantrekkelijker dan het andere; de ‘Dragoneieren à la Jane Austen’ (een ‘geslaagde verbintenis’ tussen dragon en eieren ‘die niet te lang mogen overblijven’) zijn wel erg simpel, net als de ‘Toast met kaas à la Harold Pinter’ (een recept in de vorm van een eenakter). Maar de pastiches zijn geslaagd, met als hoogtepunt het korte verhaal van een dienstmaagd die vanuit een kelderkast moet toezien hoe twee piepkuikens gemaltraiteerd en verslonden worden door een hypocriete ‘hogepriester der onthouding’ – jazeker, à la Markies de Sade, compleet met filosofische uitweidingen:

‘De tirannie van politieke correctheid [maakt de mens tot iemand] die bedreigde diersoorten, bio-industrie, ontbossing, genetische manipulatie en wrede slachtingen mijdt. […] Een levenlang diëten bracht u een beklemd en gerimpeld gelaat door het wrange oordeel van uw disgenoten, en vele lange en eenzame avonden.’

Kafka’s Soep – de titel verwijst naar een snelle miso-soep die een zekere K. zijn rechters voorzet – is een originele variatie op een thema dat al tot vele boeken heeft geleid: voedselbellettrie. Non-fictietitels als Tea with Jane Austen, The Joyce of Cooking en The Book Lover’s Cookbook gaan in op de dwarsverbanden tussen eten en fictie, en laten zien hoe er in 2700 jaar literatuurgeschiedenis is gesmuld, gesmikkeld, gekaand, gebikt, gebrast, geslempt en gezwolgen. De meeste overzichtboeken beginnen met de Odyssee, waarin het culinair wangedrag van Penelope’s vrijers zelfs de motor van de plot is, en komen dan gauw uit bij Satyricon van Petronius, met zijn beschrijving van een diner bij een parvenu waar onder meer bastaardnachtegaal in gepeperd eigeel, varken gevuld met bloedworstjes en een fallus in banketbakkerwerk ter tafel komen. Ook Gargantua en Pantagruel (1534) van François Rabelais is een vaste pleisterplaats, al was het maar door de schranspartijen die tot het bijvoeglijk naamwoord ‘gargantuesk’ hebben geleid en door de beroemde ode aan de wijn in de typografische vorm van een fles.

Maar eigenlijk zijn er maar weinig boeken waarin niet gegeten wordt, zelfs in de Nederlandse literatuur, die tot in de jaren negentig moest gedijen op een arme culinaire voedingsbodem. Denkend aan Hollands eten in romans zie ik allereerst de vreugdeloze gerechten

[Vervolg op pagina 2]

LITERAIR VOEDSEL

Vervolg van pagina 1

die Frits van Egters in De avonden van zijn moeder krijgt voorgezet: ingemaakte tuinbonen, gestolde erwtensoep, stokvis en havermoutpap – het lijkt wel het ‘dovemansorendieet’ van Maarten ’t Hart (zie pagina 8-9 van deze bijlage). Dan volgt al snel het openingshoofdstuk van De boeken der kleine zielen van Couperus, waarin het echtpaar Karel en Cateau van Lowe in het verborgene de mooiste maaltijden eet, ‘daar zij vonden, dat dit genot zondig was en vooral niet-Hollands.’ En een even hardnekkige herinnering vormen de crimiculinaire uitwassen, zoals de hemeltergende hygiëne, in het wegrestaurant uit Khalid Boudou’s succesroman Het schnitzelparadijs.

Natuurlijk is er ook haute cuisine, of ten minste smakelijk eten, te vinden in de Nederlandse roman; wat te denken van de oesters van Nam Kee, de eenvoudige doch voedzame maaltijd in de Bommelstrips, de hemelse gerechten in de bijna-gelijknamige roman van Renate Dorrestein, of de krankzinnige fantasieschotels in Ronald Gipharts topkoknovelle Troost? Maar voor het Betere Eten moet je – net als tien jaar geleden in de echte wereld – naar het buitenland. Misschien ben ik een snob, maar waar ik echt naar verlang is een couvert bij het twaalfgangenmenu uit Dode zielen van Gogol of het feestmaal van Babette in het gelijknamige verhaal van Isak Dinesen (Karen Blixen). En ik zou dolgraag een high tea meemaken aan de tafel van de Gekke Hoedemaker uit Alice in Wonderland, snoepen van de supertaart in The Hours van Michael Cunningham en proeven van de madeleines-in-lindebloesemthee die Marcel Proust inspireerden tot À la recherche du temps perdu.

Die laatste lekkernijen zullen trouwens de goedkeuring wegdragen van fanatieke vegetariërs, slow foodies en andere eetpuristen (zie pagina 7) – iets wat niet het geval is bij de meeste gerechten uit de culiliteratuur, want exuberant eten gaat gepaard met nogal wat dierenleed – denk aan de gebakken muisjes uit Een roos van vlees van Jan Wolkers. Je kunt je dan ook afvragen of de moderne literatoren de heersende trends zullen volgen en steeds meer gaan schrijven over verantwoorde maaltijden, hongerdiëten, koolhydraatangst en vleesvrees. Een verhaal als ‘Vlees’ van Manon Uphoff, waarin een meisje een dapper gevecht levert tegen de carnivore invloeden van haar omgeving, zou wel eens voorspellende waarde kunnen hebben.

Over voorspellende waarde gesproken: de meest memorabele passage over voedsel die ik ooit las, komt voor in een verhaal van een halve eeuw oud, ‘Het kermen der bomen’, over een man die een apparaat uitvindt waarmee hij tonen registreert die onhoorbaar zijn voor mensen en dieren. Als hij bij wijze van experiment een boom bewerkt met een bijl klinkt ‘een grommend, laag, kermend geluid, gerekt als een snik,’ waarna hij zich realiseert dat alle planten pijn voelen:

‘Hij dacht onmiddellijk aan een veld tarwe – een veld met halmen die rechtop stonden en geel en levend waren, terwijl de maaier er doorheen ging, de stengels doorkliefde – vijfhonderd stengels per seconde – seconde na seconde… O mijn God, wat zou dát wel voor geluid zijn? Vijfhonderd halmen die het uitkermden – en de volgende seconde weer vijfhonderd […] Ik zou daarna nooit meer brood kunnen eten. Maar hoe zat het dan met aardappels en kool en bieten en uien? [...] Een aardappel zou stellig gillen; en dat gold ook voor een biet en een ui en een kool.’ (Vertaling Hans Edinga)

De schrijver van dit angstaanjagende (en culinair vérstrekkende) verhaal is Roald Dahl. En zo zijn we weer terug waar ik begon, bij de lamsbout met dillesaus à la Chandler. Want Dahl is ook de auteur van het briljante verhaal ‘Lam ter slachtbank’, waarin een echtelijke moord niet wordt opgelost omdat de vrouw des huizes het moordwapen, een (eerder bevroren) lamsbout, aan de dienstdoende rechercheurs serveert. Met aardappelen en doppers.

Eat that, Raymond Chandler.

Mark Crick: Kafka’s Soep – een overzicht van de wereldliteratuur in 14 recepten. Van Holkema & Warendorf, 92 blz. €12,50 (geb.)