Het zijn blunders, maar het zijn oude blunders

Vertrouwelijke gesprekken tussen Hells Angels en hun raadsman kwamen in het dossier. Een raadsel, volgens Harm Brouwer.

Hij heeft inmiddels alle hoofdofficieren van justitie er schriftelijk op gewezen, in lopende opsporingsonderzoeken extra alert te zijn om dergelijke blunders te voorkomen. En er komt intern onderzoek naar de vraag hoe het Hells Angels-proces zo ernstig heeft kunnen ontsporen. Recent waren de richtlijnen om zulke praktijken te voorkomen, nog aangescherpt.

Voorzitter Harm Brouwer van het College van procureurs-generaal, de hoogste baas van het Openbaar Ministerie, heeft daags na de verpletterende uitspraak van de rechtbank in Amsterdam nog geen antwoord op de vraag hoe het mogelijk is geweest dat, tegen alle regels in, honderden vertrouwelijke gesprekken tussen verdachte Hells Angels en hun raadsman niet vernietigd zijn en zelfs aan het strafdossier toegevoegd. „Deze praktijken horen niet tot de cultuur bij het Openbaar Ministerie, het is een ernstig incident.”

Met dergelijke acties wordt de imagoschade als gevolg van die Hells Angels-zaak niet hersteld.

„Dit is inderdaad niet bevorderlijk voor het imago van het Openbaar Ministerie. Er zijn fouten gemaakt die niet gemaakt hadden mogelijk worden. Je moet het wel afzetten tegen de 276.000 misdrijfzaken die goed zijn afgerond. Maar als er dit soort zaken tussen zitten, word je daarop beoordeeld. En dit is buitengewoon pijnlijk. ”

Waarmee de vraag – wát is er gebeurd – extra dringend is?

„Dat zoeken we nu uit. Ook in relatie met het werk van de politie. Daarom hebben we afgelopen week ook alle recherche-officieren bij elkaar geroepen. Je moet intern de zekerheid hebben dat bij het uithoren van telefoontaps, vertrouwelijke gesprekken buiten het dossier blijven. We zullen nagaan of er extra maatregelen nodig zijn om dat te garanderen. ”

Schort het aan controle op de zaaksofficier? Die is verantwoordelijk voor goede procesgang en dossieropbouw. Hij heeft deze blunders niet kunnen voorkomen.

„Wat hier is gebeurd, vond eind 2004, begin 2005 plaats. Het Openbaar Ministerie had toen nog een andere werkwijze. Met één zaaksofficier op vaak hele complexe strafzaken. Meerdere opeenvolgende zaaksofficieren zijn met deze zaak bezig geweest en vaak daarnaast ook nog met andere complexe dossiers. Met teamleiders die het vaak ook ontzettend druk hebben. Of opeenvolgende zaaksofficieren melding van die tapes hebben gemaakt in hun overdrachtsdossiers aan hun opvolgers, weet ik niet. Ik typeer hetgeen er gebeurd is wel als grenzeloos slordig. Inmiddels zetten we bij dergelijke complexe strafzaken twee zaaksofficieren in. En hebben we een zogeheten ‘tegenspraakofficier’ op het parket, met de taak om voortdurend kritische vragen te stellen. Hetzelfde geldt voor de politie. Daar zijn speciale functionarissen mee belast in de Teams Grootschalig Onderzoek. Ook die worden verondersteld om voortdurend tegenspraak te organiseren.”

Maar blijkbaar heeft die ‘tegenspraak’ niet gewerkt, niemand heeft voorafgaand aan de gang naar de rechtbank aan de bel getrokken.

„Toen dit gebeurde, hadden we die tegenspraak nog niet zo georganiseerd. We hebben het hier over tegenspraakofficieren op het moment dat het opsporingsonderzoek nog loopt. Niet meer als de zaak al is aangebracht bij de rechter. Waarom dat hier, in zo’n actueel onderzoek, waar bij het ook van belang is om borg te staan voor de rechten van de verdachten, niet is gebeurd, is een raadsel. Dat gaan we intern uitzoeken.”