Het leven als charme-offensief

Hij vocht mee in de grote Europese oorlogen, maar ook bij liefdesoffensieven stond hij zijn mannetje. Zijn memoires bestrijken beide bezigheden.

Hans Vogel en Marjan Smits (vert. en bew.): Een oorlogsman van dezen tijd en beminnaar der sexe. De autobiografie van Casimir graaf von Schlippenbach (1682-1755). Augustus, 592 blz., € 37, 50

Soms stuit de historicus op een schat. Dat is Hans Vogel en Marjan Smits overkomen. Ze vonden in het Nationaal Archief in Den Haag een dik pak dubbelzijdig beschreven foliovellen, met de titel ‘journal de ma vie’: journaal van mijn leven. Dit is het levensverhaal van Casimir von Schlippenbach (1682- 1755). Het is nog nooit vertaald, laat staan uitgegeven. Wie voor de periode van de eerste helft van de 18de eeuw een autobiografie zoekt, aldus Vogel en Smits, heeft voor wat betreft de Nederlandse geschiedenis weinig materiaal. Dit wonderlijke boek met zijn lange titel brengt daarin verandering.

Schlippenbach was een telg uit een adellijk geslacht uit Koerland, het huidige Letland. Hij was officier in het Nederlandse leger, waar hij langzaam, naar zijn zin veel te langzaam, carrière maakte. Het Nederlandse leger, ook wel het ‘Staatse leger’ genoemd, was één van de allerbeste en – grootste legers ter wereld. Fameus om zijn onverzettelijkheid en discipline, en in heel Europa bij soldaten geliefd vanwege de hoge soldij. In de eerste helft van de 18de eeuw vocht het mee in de grote conflicten: de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) en de Oostenrijkse Successieoorlog (1740- 1748). Het Staatse leger, en deze slepende oorlogen, vormen het decor voor deze autobiografie.

Schlippenbach was 23 toen hij trouwde met de dochter van de gezant van de keurvorst van Hannover in Den Haag. Met deze vrouw, ruim tien jaar ouder dan hij, zette hij een huishouden op in de hofstad. Zoals bij zoveel edellieden was ook zijn huwelijk voorafgegaan door een financiële calculatie, liefde was een bijkomstigheid. Nadat hij bij haar twee kinderen had verwekt, vertrok hij naar het front in Spanje. In Spanje vochten de geallieerden, en daarbij het Staatse leger, tegen de Spaanse koning, familie van de Franse koning Lodewijk XIV, de grote vijand. Schlippenbach is bondig over de geboekte terreinwinst. Veel meer werk maakt hij als schrijver van het veroveren van vrouwen.

In Spanje heerste armoede, en iedereen zwermde op de soldaten af om van hun rijkdom te profiteren. Wie veel geld had, had een grote keuze. Toen een aantal rijtuigen met gesluierde schoonheden in het legerkamp arriveerde, werd er openlijk onderhandeld. Schlippenbach deed er niet aan mee. Toen zijn onderofficieren al kampten met de eerste verschijnselen van geslachtsziekte, was hij nog geduldig zijn zetten aan het overwegen. Zijn doelwit was een in Madrid woonachtige schoonheid, doña Jacinta. Puttend uit het vermogen van zijn vrouw en zijn meegenomen contanten bouwde hij geduldig vertrouwensrelaties op met personen in haar huishouden. Doña Jacinta had zeker geen besmettelijke ziekte. Bovendien was Schlippenbach verliefd.

Goktafel

Hij zag doña Jacinta als een vesting die hij moest veroveren. Eerst wilde hij haar én haar hele familie winnen met zijn charmes. Hij bezocht het gezin zo vaak hij kon, maakte iedereen aan het lachen en vooral: hij was gul. De broers van Jacinta werden ruim bedeeld uit de winsten die hij meenam van de goktafel, aan het personeel deelde hij fooien uit. Schlippenbach, Luthers opgevoed, zag er geen been in om een verbond aan te gaan met de biechtvader van het gezin, een inpandige Franciscaan. Deze geestelijke wist na het incasseren van de nodige donaties de laatste gewetenswroeging bij Jacinta weg te nemen door haar bij voorbaat absolutie te beloven. Na een wekenlange sluiptocht had de charmeur zijn prooi te pakken. De avonturen nemen dan kluchtige vormen aan. De Franciscaan bemiddelt in nachtelijke ontmoetingen, het stel ontsnapt ternauwernood aan ontdekking, dames vallen herhaaldelijk flauw. Als Jacinta misselijk is en helaas Schlippenbachs herdersuurtje moet verzaken, stuurt ze haar kamermeisje Rosa om zich te excuseren. Hoffelijk als altijd strijkt de cavalier zijn hand over zijn hart en laat Rosa toe in zijn bed.

Maar hoezeer Schlippenbach ook probeert de hoofdpersoon als een geslaagde versie van zichzelf af te schilderen, het leven gooit telkens roet in het eten. Dat maakt dit levensverhaal op sommige momenten zo aangrijpend. Na de veldslag bij Villaviciosa in 1711 moest zijn rechterarm worden geamputeerd. Hij was zijn symmetrie kwijt. Als ruiter in het gevecht moest hij in het vervolg de teugels tussen zijn tanden nemen. Aan de liefdesdaad kwam het nodige kunst- en vliegwerk te pas. Schlippenbach sloeg zich er met zijn kunstarm manmoedig doorheen, maar voor een ijdele man als hij had de amputatie hem toch veel van zijn glans ontnomen.

Die onttakeling ging voort toen de salontijger uit Spanje thuiskwam bij zijn vrouw. Ze hadden elkaar vier en een half jaar niet gezien. Zijn twee kinderen keken hem aan alsof er een indringer binnenstapte, het huiselijke drama dat iedere soldaat wachtte als hij thuiskwam na een langdurige veldtocht. In zijn geval betekende het dat hij zijn positie als heer des huizes moest veroveren. Hij werd niet eens behoorlijk gegroet als hij de kamer binnenkwam. Alsof het om exercities ging liet hij zijn vrouw en kinderen net zo vaak opstaan uit hun stoelen tot hij tevreden was. Na een paar maanden was het alsof hij nooit was weggeweest. In zijn levensverhaal doet Schlippenbach zijn best de montere toon te hervatten. Maar je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat zijn bestaan na Spanje nooit meer echt salonfähig wilde worden.

Causeur

Casimir von Schlippenbach zegt bij herhaling dat zijn levensverhaal slechts voor hemzelf is bedoeld, en niet voor publicatie. Wie hem leest, weet wel beter. Hij schreef zoals hij sprak, als de causeur die gehoord wilde worden. Overigens heeft hij de uiteindelijke versie gedicteerd aan zijn secretaris. Dat geeft het boek de natuurlijke toon die Schlippenbach als causeur moet hebben gehanteerd: iemand die het buitengewoon met zichzelf heeft getroffen, en daarvan de wereld gulhartig laat profiteren.

Vogel en Smits hebben deze mooie levensbeschrijving van een bondige inleiding en een toelichting voorzien. Waar ze konden gingen ze de levenslopen van genoemde personen na. Genadeloos wijzen ze aan waar Schlippenbach zaken verzweeg of verfraaide. Een serieus gemis is wel dat het werk niet in een traditie is geplaatst. De bewerkers vergelijken het vluchtig met de memoires van de hertog van Saint-Simon (1675-1755), maar dat is niet sterk. Saint-Simon was een polemist; hij was de gevangene van de gouden kooi van Versailles, die vol bitterheid becommentarieerde hoe hij werd gedwongen zijn leven in verveling door te brengen en hoe de Zonnekoning de hoge Franse adel ruïneerde. Schlippenbach is nauwelijks een commentator. Zijn levensverhaal heeft hele andere kwaliteiten. Hij wil geen tijdsbeeld geven, maar een beeld van zichzelf. Hij wil bovenal dat we dat beeld aangenaam vinden.

Hoe verder we in dit levensverhaal doordringen, hoe meer het zich ontvouwt als één groot charme-offensief. Telkens gaan zijn anekdotes erover hoe goed hij voor zijn geliefden zorgt, hoe goed hij is als minnaar. Hoe gul hij is voor iedereen. Hoe hij zijn officieren voordeeltjes toespeelt. Hij is een echte heer. Daarmee lijkt hij op die andere vrouwenversierder uit de 18de eeuw: Casanova. Schlippenbach bestookt ons met de stijlmiddelen van de galante schelmenroman. Het is jammer dat Vogel en Smits deze Casanova van Nederlande bodem niet beter in dat perspectief hebben geplaatst.

Daar staat tegenover dat zij veel werk hebben gemaakt van zijn onopgehelderde, mysterieuze dood. Hun conclusie luidt dat de autobiograaf zulke grote geldproblemen had, dat hij was overgegaan tot het chanteren van de stadhouder en zijn vrouw, Anna van Hannover. In 1748 ging het gerucht dat haar toen geboren zoon, de stadhouder in spe Willem Batavus, niet was verwekt door Willem IV maar door een minnaar van prinses Anna. Deze chantage zou Schlippenbach duur zijn komen te staan.