Het genoegen om slager te zijn

Het ultieme literaire criterium is het niet, maar een slecht teken is het evenmin. En het gebeurt je maar zelden: water dat je in de mond loopt bij het lezen. Zozeer dat je – in het dagelijks leven duovegetariër – vijf dagen later bij de slager een deel van een lam staat af te rekenen. Waarna de schrijver van de betreffende passage even verder op een terrasje blijkt te zitten – een mens moet in toeval durven geloven.

Lees: ‘Voor chirurg had ik niet gestudeerd, en wat ik nu in handen had was een lamstong waarmee de inhoud van de zak aan de haak gehangen had, gevolgd door het strottenhoofd en de lange slokdarm waaraan op de een of andere manier van alles en nog wat bevestigd was, zoals een bijzonder paars uitziend orgaan dat misschien wel de milt geweest is en waarvan ik niet goed wist wat ik ermee zou moeten doen.’ De echte honger kwam weliswaar pas nadat even verder de buurvrouw van Cees Nooteboom (de kok die hier aan het werk is) op de geur is afgekomen en heel hard ‘FRETZES’ had geroepen.

(Voor de doe-het-zelver: neem het ingewand van een schaap, met name hart, lever en longen. ‘Behalve een ui sneed ik een winterwortel in dunne schijven, legde alles in donker bier met een groot laurierblad uit eigen tuin en liet de traditie een paar uur haar gang gaan.’)

Nootebooms scène raakt niet alleen aan de heerlijkheid van orgaanvlees, maar ook aan het grote genoegen dat het moet zijn om slager te zijn: snijden met scherpe messen, soms even hakken, een stukje scheuren, het vlees een klapje geven – en het uiteindelijk opeten. Romantiek voor mensen die nooit iets groters hebben gedood dan een muis en nooit een mes hebben gezet in iets groters dan een ham.

En is het wel zo leuk om slager te zijn? De recente Nederlandse literatuur kent behalve amateurs als Nooteboom en Marcel Möring (die ook weleens een haas heeft gevild) twee auteurs die het vak van binnenuit kennen: de slagerszoons Abdelkader Benali en Tom Lanoye. In Bruiloft aan zee van Benali spreekt het vak niet tot de verbeelding. De held raakt verzeild in een droom vol doorkliefde lamskoppen: ‘bloed kroop langs de koppen, doordrenkte het hakblok, stolde op de handen van Lamarat, kroop onder zijn nagels en kwakte op de grond.’

Meer liefde voor het vlees van zijn vader is te vinden in Lanoyes Een slagerszoon met een brilletje: ‘Met een bosje brandend stro schroeit de slachter het varken weg en snijdt dan de buik van het dier met één haal open, van in de onderbuik tot aan het begin van de ribbenkast. Zijn vaardige handen doen het ingewand naar buiten kantelen en op de grond vallen.’ Je ziet het vallen, prachtig. Mooi enkelvoud ook, dat ‘ingewand’.

Maar honger? Mwah. Misschien is het omdat het een varken is.

Cees Nooteboom: Rode regen. Atlas, 224 blz. € 18,50