Fantastisch

In mijn ooghoek zie ik een stokbrood bewegen. Wanneer ik beter kijk is het een harig stokbrood. En wanneer ik me realiseer dat dat niet waarschijnlijk is, zie ik een kat.

Het valt me tegen van mijn fantasie dat ik nooit iets in mijn ooghoek zie bewegen dat ik niet al ken. Juist op het moment dat mijn gedachten voor alle mogelijkheden open staan, zou je toch mogen verwachten dat ze met iets verrassenders op de proppen komen dan met een brood.

Ik ervaar eenzelfde soort teleurstelling wanneer ik sciencefiction-films zie of verhalen lees als Harry Potter of The Lord of the rings. Zelfs de prachtige films van Matthew Barney met de meest verleidelijke luipaardvrouwen op bokkenpoten kunnen mij niet aan de indruk onttrekken dat alle fantasiewezens uiteindelijk toch altijd weer lijken op mensen, dieren, insecten of samenstellingen daarvan. Ik vrees dat het niet mogelijk is om iets werkelijk nieuws te verzinnen. De fantasie is een enorme schroothoop waar opgelapte auto’s van oude onderdelen worden voorzien.

Hopend op een uitzondering bezocht ik in de ‘Biblioteca Medicea Laurenziana’ van Firenze de tentoonstelling Animali fantastici. Daar zag ik sirenes, eenhoorns, draken, saters en minotaurussen op tekeningen die manuscripten illustreerden uit de vroege Renaissance. Vooral de basilisk viel me op. Ik zag het beest op een bladzijde van de Hortus Sanitatis, het eerste gedrukte boek dat illustraties van dieren bevatte, uit 1491. De basilisk komt volgens de legende uit een leerachtig ei zonder schaal dat door een zeven jaar oude haan is gelegd. Het ei wordt vervolgens in de mest uitgebroed door een pad. Niemand zou de blik van de basilisk overleven.

Zelfs dit wonderlijke fabeldier ontkwam niet aan mijn indruk dat alle fantasie een voet in de realiteit heeft. Ik zag er behalve een dodo, een zwaan in en een kraai. Ik wilde me al bijna omdraaien, toen ik las: „Zelfs tuinen verdorren onder zijn blik. Het dier is gedwongen te leven in een woestijn die het zelf veroorzaakt.”

Die laatste zin greep me bij de keel. Ik realiseerde me dat ik als de basilisk zou worden als ik niet ophield alle fantasie te ontleden. Ik strooide een woestijn voor mijn eigen voeten, zag ik terwijl ik Firenze inliep. Maar hoe verander je zoiets? Alle gebouwen leken op een ander gebouw. Elke brug was een echo van brug die ik eerder was overgestoken.

In de krant The Independant vond ik een uitweg voor mijn verdorde geest. Ik las over Olive Greengalgh (82), haar man George (84) en zoon Shaun ( 47). Ze zijn opgepakt omdat zij de makers blijken van de keramische faun die voor het eerste beeld van Gauguin werd aangezien. Tien jaar geleden noemde het Art Institute van Chicago het een van zijn belangrijkste acquisities. Douglas Druick, hoofdcurator van het Art Institute, zag tussen de gespreide benen van de faun ‘the absence of the often flaunted sign of a man’s virility’ en herkende hierin de moeizame relatie van de kunstenaar met zijn vrouw. Anne-Birgitte Fonsmark, expert Gauguin-keramiek, omschreef het als een van zijn meest satirische werken.

De familie Greengalgh heeft niet alleen een fantasiedier gemaakt, maar ook een ode aan fantasie in het algemeen. De faun lacht, wetend dat hij onoverwinnelijk is. Want juist het feit dat hij niet ‘echt’ is, bewijst dat niet alleen kunst maar ook de werkelijkheid bestaat uit wat we wíllen zien.

In mijn ooghoek beweegt iets. Ik houd het bij een stokbrood.