Eten voor het vaderland

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, deze week eten met de Prins en de Prinsessen.

‘Er is maar één land waar gekoekhapt wordt en dat is Nederland’, schrijft culinair journaliste Anne Scheepmaker in Eten met de Oranjes. Er is dus ook maar één land ter wereld waar de aanstaande koning koekhappend kan worden aangetroffen, op straat nog wel. Geblinddoekt, tong uit de mond, omhoog happend naar een ergens boven zijn hoofd aan een oranje lint zwevend plakje ontbijtkoek. Gadegeslagen door tv-camera’s, fotografen en vele lachende onderdanen. Het lijkt normaal, maar dat is het niet. Vroeger nodigde de vorst potsenmakers uit om zijn feest op te vrolijken. Nu moet hij zelf op Koninginnedag opdraven om al koekhappend het volk te vermaken.

Het is maar een van de vele plaatsen in deze luchtige studie waar culinair journaliste Scheepmaker ook een cultuursociologe blijkt te zijn. Het koninklijk huis wil graag gewoon zijn, maar dat staat op gespannen voet met de uitverkoren positie die het op andere momenten inneemt. We zien op het omslag een foto van een blonde moeder die haar blonde dochter voorzichtig een hapje van haar verjaardagstaart geeft. Niets bijzonders. Leuk versierde taart ook wel, met gekleurde fantasiedieren erop. We kijken er alleen maar naar omdat we toevallig weten dat die mevrouw de vrouw van de kroonprins is, en het meisje de toekomstige koningin. Eén bladzijde verder, en ze moeten weer figureren in een sprookjesdecor van paleizen, rode lopers, kristal en lakeien in livrei die in enorme zalen enorm lange tafels lopen te dekken. Dat is geen ‘pleziereten’ meer, dat is ‘werketen’, schrijft Scheepmaker, ‘eten voor het vaderland’.

De spagaat van het moderne koningshuis is ook de spagaat van dit boek. Het schiet heen en weer tussen het alledaagse en het uitzonderlijke. Tussen de familie Van Vollenhoven aan de barbecue bij Het Loo en een regeringsdiner met danseressen in de Ridderzaal. Op de ene foto verzorgen leden van het Koninklijk Huis de catering in een bejaardentehuis, op de andere moeten ze zelf opzitten bij een staatsbanket.

Anne Scheepmaker weet er, eh, smakelijk over te schrijven. Over hoe het ten tijde van Willem de Zwijger met het hofeten ging, en nu. Over de angst voor vergiftiging. Over bankettaboes (geen knollen, geen pens). Over de dalende populariteit van schildpadsoep en ganzenlever. Over het lievelingseten van leden van het Koninklijk Huis. Over binnen- en buitenlandse eetfolklore. In Mongolië krijgen de koninklijke gasten een kop sterke thee, aangelengd met een rauw stuk schapenstaart (van een soort waarvan de staart zo dik en zwaar schijnt te worden ‘dat er soms een karretje onder wordt geplaatst omdat het schaap anders niet vooruitkomt’).

De Oranje-anekdotes worden afgewisseld met veel Oranje-foto’s en Oranje-recepten, van een eenvoudige canapé met haring (vaak aangeboden op Koninginnedag) tot de wat ingewikkelder Paupiettes de sole met een sauce verte, onderdeel van het inhuldigingsdiner van Beatrix. Als u dat nu thuis gaat bereiden, kunt u zich zelf ook een beetje ingehuldigd voelen. Daar ergens moet wel het geheim van dit boek liggen. Kijken naar hoe de koningen eten, eten wat de koningen eten, en zo zelf ook een beetje koning worden. Voor nog geen 20 euro! Zo reiken wij allemaal naar het hogere – als een geblinddoekte kroonprins naar een plakje ontbijtkoek.

Anne Scheepmaker: Eten met de Oranjes.Een fotokookboek. Nieuw Amsterdam, 144 blz. € 19,95