Een wraakzuchtig inktvis-kadavertje

Als een romanpassage een smakelijke kruisbestuiving lijkt tussen lezen en eten, moet de lezer op zijn hoede zijn. In drie recente, Franse romans komt een aantal onvergetelijke voedselscènes voor.

In het verhaal ‘Le gâteau’, opgenomen in Le spleen de Paris, laat Baudelaire zijn alter ego reizen door een schitterend, groots landschap. Pure lucht, een onbeweeglijk meertje en een helblauwe hemelkoepel brengen de reiziger in een zeldzaam stemmige, vredige gemoedstoestand. Het kwaad lijkt uit de wereld verdwenen.

Misschien, zo peinst de verteller, is de mens van oorsprong toch goed. Hij zoekt een mooie plek om te rusten, pakt zijn veldfles en snijdt een stuk brood af. Plotseling duikt er een haveloos, hologig wezen op dat naar zijn brood staart. Als de verteller hem een stuk geeft, verschijnt er nog een kleine wilde. De twee vechten om het brood, dat in de strijd verkruimelt totdat er niets eetbaars meer van over is. De illusie van schoonheid en vrede gaat rücksichtslos aan diggelen.

In het korte verhaal van Baudelaire ontstaat er, door de verpletterende schoonheid van de natuur, kortstondig de indruk dat er toch, ergens, een paradijs bestaat. Zodra de menselijke driften en behoeften boven komen is die illusie binnen de kortste keren verdwenen. Waar eten de literatuur binnenwandelt, verdwijnt paradijselijke schoonheid en verschijnt de realiteit. Illusie verkeert in desillusie.

Wie hedendaagse Franse romans naslaat op feestmalen, keukenrecepten, culinaire ingrediënten en galgemalen, moet zonder meer concluderen dat er veel wordt gekookt en gegeten. Niet zelden duikt juist in deze passages de kern van de roman op. Je moet er als lezen dan gespitst zijn op verhulde betekenis en diepere lagen, ook al is de betreffende passage ogenschijnlijk niet meer dan een smakelijke kruisbestuiving tussen lezen en eten.

Neem het feestbanket uit Onder de zon van Prix Goncourt-winnaar Laurent Gaudé. Voor de eerste keer in hun dramatische familiegeschiedenis zitten alle leden van de Scorta-clan bij elkaar aan tafel. ‘Mosselen zo groot als een duim gevuld met een mengsel van eieren, broodkruim en kaas. Gemarineerde ansjovis, waarvan het vlees stevig was gebleven, maar smolt op je tong. Inktvisarmen. Een salade van tomaten en krulandijvie. Gebakken ansjovissen. Iedereen schepte op met de vreugde niet te hoeven kiezen en van alles te mogen eten.’

Natuurdrift

‘De zwijgzamen’ luidt de bijnaam van de familie, wier stamvader verwekt is door een verkrachting. Alleen al daardoor is de familie generaties lang gedoemd geweest tot armoede, gewelddadigheid en andere ellende. Nu, aan deze feestdis, ‘bewijzen ze eer aan het leven’ en eten ze ‘met een soort bezetenheid en vraatzuchtige gulzigheid, een soort door angst ingegeven natuurdrift’. Het feestmaal markeert een keerpunt in hun familiegeschiedenis. Ze laten de misère achter zich en besluiten hun legendarische zwijgen te doorbreken: ‘ieder zou tenminste één keer in zijn leven spreken. Om een advies te geven, om iets van zijn kennis over te dragen’. Dat dat hoopvolle voornemen een illusie is, blijkt al bij het omslaan van de pagina.

Verwijst koken en eten in dit geval naar een scharnierpunt in mensenlevens, doorgaans wordt er aan de literaire tafel verwezen naar een betreurd, onbekend, in meer of mindere mate dramatisch verleden. In de prachtige nieuwe roman van de op Mauritius geboren schrijfster Natacha Appanah, Le dernier frère, die binnenkort in een Nederlandse vertaling verschijnt, roepen vijf mango’s een wereld van verlies en verdriet op. Bij een recente modderstroom in het natuurgeweld op het eiland zijn twee van de drie zonen van een gezin meegesleurd en omgekomen.

Sindsdien zijn ze verhuisd, maar gewoontegetrouw kookt moeder nog voor vijf. ‘Mijn vader kwam thuis met mango’s. Hij had er vijf meegenomen. [...] Hij pakte zijn mesje en ging voor het huis zitten, met zijn gezicht naar het woud. Langzaam en minutieus sneed hij een dun plakje van de mango. Het glanzende oranje schijfje verdween geruisloos in zijn mond, hij slikte het door zonder te kauwen. Ik weet niet waar hij dat had geleerd, want vroeger, in Mapou, gingen we op onze hurken zitten en aten we de mango gulzig uit de hand, terwijl het sap langs onze onderarmen droop en we het snel oplikten met onze tong’. Niet alleen wordt er in dit boek nog voor de doden gekookt, ook de manier waarop er wordt gegeten is veranderd. De levenslust is weggestroomd, de vreugde waarmee vader vroeger zijn tanden kon zetten in het vruchtvlees is versteend, verdwenen tegelijk met zijn zonen.

Wat er gebeurt als letterlijk je hele zintuiglijke wereld is verdwenen beschrijft Jean-Dominique Bauby in Le Scaphandre et le Papillon, dat dit voorjaar ook in vertaling verschijnt. Bauby, door een hersenbloeding in coma geraakt, wordt wakker met het ‘locked-in syndroom’, waardoor hij letterlijk in zichzelf zit opgesloten. Geen enkel onderdeel van zijn lichaam kan hij meer bewegen, behalve zijn linkeroog. Knipperend daarmee dicteerde hij het boek, dat, hoewel het non-fictie is, vaak leest als een roman.

Bauby, die via een infuus wordt gevoed, doet een beroep op de herinnering die hij heeft aan smaak en geur. ‘Ik cultiveer de kunst om herinneringen te laten sudderen. Ik kan op ieder moment aan tafel gaan. Als ik uit eten ga hoef ik niet te reserveren. Als ik kook, is het altijd geslaagd. De bourguignon is een zalfje, het rundvlees-in-gelei prachtig doorschijnend en de abrikozentaart precies zuur genoeg. Als ik zin heb trakteer ik mezelf op een dozijn slakken, een heerlijke zuurkoolschotel of een fles Gewürtztraminer’.

Het imaginaire menu waarop de getroffene zich trakteert is een manier om, althans in de geest, te overleven. Zelfs de smaak van ‘eigeel dat lauw langs mijn verhemelte stroomt’ komt bij Bauby puur uit de verbeelde herinnering, de geur van zelfgemaakte saucisson is op afroep beschikbaar. Soms is de ondertoon bitter, soms ironisch. ‘Ik ben bang dat ik nooit meer een betere saucisson zal eten’. Koken en eten roepen in dit geval geen herinnering op, zij zíjn herinnering.

In verreweg de meeste gevallen functioneren gerechten literair gezien als de madeleine van Proust: zij prikkelen het geheugen, brengen voorbije werelden terug. Een mooi voorbeeld is de recentste roman van Amélie Nothomb, Ni d’Eve ni d’Adam – een uitstekende, overigens – waarin zij, net als in Met angst en beven, terugblikt op haar terugkeer (in 1989) naar het land waar ze de eerste paar jaar van haar leven doorbracht: Japan. Om met Japanners in contact te komen, geeft de vertelster Franse les. Haar leerling nodigt haar uit voor een etentje bij vrienden. Op het menu staan okonomiyaki, Japanse pannenkoeken. ‘Die geur van kool, garnalen en gember die samen in de pan lagen te spetteren, bracht me zestien jaar terug in de tijd, toen mijn lieve gouvernante voor mij dezelfde traktatie maakte en die ik sindsdien nooit meer had gegeten’. Zoals alle emoties in de autobiografische boeken van Nothomb is ook deze ervaring heftig. De vertelster schrokt alles naar binnen, voor de verbaasde ogen van haar gastheer en heeft even lak aan de ingewikkelde Japanse etiquette. ‘Ik beleefde een zo diep en ontregelend avontuur van de herinnering, dat ik hem met niemand kon delen’.

Hightech kaasfondue

Bekend is dat Nothomb een soms bizarre relatie heeft tot voedsel, terwijl eten dikwijls ook een belangrijk thema is in haar werk. Ook in deze roman komen er een paar hilarische situaties voor, zoals een supersonische, hightech kaasfondue die smaakt naar gesmolten plastic en een schranspartij met in maanlicht geplukte, besneeuwde kaki’s (oranje subtropische vruchten). Al deze gerechten markeren beslissende fasen in haar amoureuze relatie met de jonge Japanner. Op een romantische excursie naar het eiland Sado vraagt hij de vertelster ten huwelijk. Ze weet het antwoord uit te stellen tot na het diner, een speciaal feestmaal van jonge inktvissen die, om maximale versheid te garanderen, pas op haar bord worden gedood. ‘Weigeren zou onbeleefd geweest zijn. Ik stak dat prachtige inktvisje in mijn mond en probeerde hem tussen m’n kiezen te krijgen. Toen gebeurde er iets afschuwelijks: de nog levende zenuwen van de inktvis boden weerstand en het wraakzuchtige kadavertje greep mijn tong vast met al zijn tentakels. Ik schreeuwde, voorzover dat tenminste kan als je tong door een inktvis wordt verzwolgen. Ik kon hem met geen mogelijkheid los krijgen, de zuignapjes deden hun werk geweldig goed. Ik zag het moment aankomen waarop ik mijn tong zou moeten uitrukken’.

Onnodig te zeggen dat er van dat huwelijk niets meer is gekomen.

Amélie Nothomb: Ni d’Eve ni d’Adam. Albin Michel, 245 blz. € 17,90Jean-Dominique Bauby: Le scaphandre et le papillon. Robert Laffont. 140 blz. € 15,20 (verschijnt binnenkort bij De Bezige Bij)Nathacha Appanah: Le dernier frère. Ed. de l’Olivier. 211 blz. Prijs € 18,– (verschijnt binnenkort bij De Bezige Bij).Laurent Gaudé: Onder de zon. Vert. door Jan Versteeg. De Geus, 223 blz. € 12,50