Een kater in luilekkerland

Drie boeken laten de reis zien die ons eten maakt van grond naar bord – een vrolijk beeld is het niet.

Christien Meindertsma: PIG 05049 1:1. Flocks, 225 blz. € 38,50

Michael Pollan: In Defence of Food. The myth of Nutrition and the Pleasures of Eating. Penguin, 234 blz. € 11,93 (verschijnt 01/01/2008 en in het voorjaar in vertaling bij De Arbeiderspers)

Raj Patel: Buy This. De Wereld, 286 blz. € 24,95

Niet alleen worst, hamlap en kinnebak, maar ook kogels, behang, body lotion, tamboerijnen, treinremmen, porselein, papier, tattoo’s, handschoenen, puzzels en chocolademousse. Voor haar briljante kunstproject PIG 05049 1:1, uitgebracht als boek, fotografeerde Christien Meindertsma alle 185 producten waarin delen van één varken terecht kwamen. Ieder stukje wordt blijkbaar benut, dit varken is dus zeker niet voor niets gestorven. Maar, staat in de inleiding, de bottenas van een Nederlands varken in een Chinees porseleinen hertje toont ook de gekte van globalisering.

Toegespitst zou je kunnen zeggen: de waanzin van het huidige voedingssysteem. Er wordt volgens dit boek nog altijd varkensvoer van varkens gemaakt, en voor mensen lijkt zuiver vegetarisch of halal eten niet langer mogelijk; proteïne uit varken zit in brood, gelatine in wijn, bier en vruchtensap.

We zijn vervreemd van ons eten, schreef de Amerikaanse wetenschapsjournalist Michael Pollan vorig jaar in zijn briljante The Omnivore’s Dilemma (Besproken in Boeken 27.06.06), waarin hij het tegengestelde deed van Meindertsma; hij traceerde de precieze herkomst van drie maaltijden. In het vervolg op dat boek, het binnenkort te verschijnen In Defence of Food, vraagt Pollan zich af wat er sinds de opkomst van de voedingsindustrie gebeurd is met brood, toch ooit een simpel geheel van meel, gist en water. Hij somt de ingrediënten en additieven op van Sara Lee’s Soft & Smooth Whole Grain White Bread. Het zijn er 45. Dit mag er dan uitzien als brood, schrijft Pollan, het is geen brood meer, maar een ‘broodachtige substantie’.

Idylles

Eetvervreemding. Je hoeft maar naar de rurale idylles op de foto’s in – en de torenhoge oplages van – kookboeken te kijken, of je kan concluderen dat er behoefte is aan een tegenwicht tegen de pakjes en zakjes van de voedingsindustrie. Voor Nederland is deze schizofrenie extra interessant; culinaire sterren als Jamie Oliver en Nigella Lawson zijn hier enorm populair, tegelijk is Nederland 's werelds derde exporteur van industriële voedingsmiddelen en landbouwproducten. Die voedingsindustrie zelf voelt ook dat er iets wringt; de firma Knorr, die groenten vriesdroogt tot bleke brokjes, adverteerde onlangs in Amsterdamse abri’s met foto’s van frisse paprika’s, onder het motto: eet kleur.

Geen wonder dat ook de stapel journalistieke non-fictie over eten gestaag groeit. Stof genoeg: het mondiale voedselsysteem, dat door de introductie van kunstmest na WO II ontstond, kraakt in zijn voegen. Met zijn monoculturen, vergaande bewerkingsmethodes en mondialisering, heeft het grote voordelen: een overvloedig en stabiel aanbod, weinig bederf en goedkoop eten – we betalen er verhoudingsgewijs veel minder voor dan een paar generaties terug.

Maar de problemen liegen er ook niet om: de uitstoot van CO2 door de bio-industrie en het onevenredig wegtransport voor het heen en weer slepen van eten. Dierziektes en de bijkans leeg geviste zeeën. Onevenredig waterverbruik. Dierenmishandeling. Een epidemie van overgewicht, suikerziekte, kanker en hartaandoeningen in de westerse wereld en steeds vaker ook elders – een kwart van de Chinezen is te dik en zelfs in Afrikaanse steden heerst vetzucht. En, vaak vergeten, maar misschien wel het belangrijkst: het onvermogen van een wereld die 3.000 calorieën per persoon per dag produceert, om de meer dan 800 miljoen hongerenden te voeden.

De wereldvoedselorganisatie FAO spreekt van een wereldwijde epidemie van ‘malnutrition’, die zich concentreert in de onderklasse. Overal ter wereld eten arme mensen slecht, of ze nu dik zijn of juist honger lijden. Wat kan een gewetensvol mens bij al deze ellende in vredesnaam nog in zijn mond steken?

Ongeveer een half jaar na The Omnivore’s Dilemma schreef Michael Pollan een artikel in The New York Times waarin hij drie vuistregels formuleerde die volgens hem goed zijn voor zowel de mens als de planeet. Ze zijn heel simpel: Eet echt eten. Niet te veel. Vooral planten.

Dit ‘manifest van een eter’ was zijn antwoord aan lezers van The Omnivore’s dilemma die om een leidraad vroegen. Alleen: In Defence of Food, de uitwerking van het artikel, is geen eetgids geworden, maar een felle aanval op wat Pollan ‘nutritionism’ noemt – zeg maar het ‘voedings-industrieel complex’. Met ‘eet echt eten’, bedoelt Pollan dus: onbewerkt voedsel, geen voedselachtige substanties. ‘Eet nooit iets dat je overgrootmoeder niet als eten zou herkennen’, schrijft hij bijvoorbeeld. En: ‘Vermijd eten met ingrediënten die je niet kunt uitspreken.’ Nog simpeler gezegd is Pollans antwoord op eetvervreemding dus gebaseerd op dezelfde wet als al die kookboeken: terug naar de natuur.

Net als Marion Nestlé, die in Food Politics (2002) aantoonde dat de Amerikaanse voedingsbranche winst boven de gezondheid van consumenten stelt, verzet Pollan zich tegen de greep van die branche op het Amerikaanse eetpatroon. Maar zijn aanpak is filosofischer – in zijn werk gaat het steeds over de gevolgen van de greep van de mens op de natuur.

Zo is Pollan zeer gespitst op taal. De opmars van het nutritionisme begint volgens hem met taalvervuiling, met een wet uit 1973 die fabrikanten het recht gaf het woord ‘imitatie’ van hun imitatievoedingsmiddelen te schrappen, waardoor het onderscheid tussen echt eten en voedingsmiddelen verdween. Wetenschappers legitimeerden het industrieel manipuleren van eten, door voedsel te ‘deconstrueren’ in voedingsstoffen. Het ging niet meer over boter of broccoli, maar over linolzuur en anti-oxidanten.

Hebben hun chemische haarkloverijen iets opgeleverd? Pollan denkt van niet. De mens kan overleven op talloze soorten eten, schrijft hij, maar het westerse dieet behoort daar niet toe.

In Defence of Food is een vreemd geval: pamflet en eetgids tegelijk. Bij al zijn boternostalgie en margarineverachting verliest Pollan de grote lijn uit het oog. Zo heeft hij geen oog voor de manco’s van de eetpatronen van vroeger, met hun vervuiling, bederf en eenzijdigheid – je treft geen aardappeleters in dit boek. En de levensverwachting is sindsdien toch verbeterd, net als de voedselzekerheid.

Toch blijft het lezen van Michael Pollan – de priester van de voedselschrijvers, noemde een collega hem – een genoegen, zelfs chemie krijgt in zijn handen literaire schoonheid.

Het slotdeel van In Defence of Food is het aardigst, én het teleurstellendst. Hier legt Pollan uit hoe je je kunt onttrekken aan het westers dieet. Zijn vuistregels zijn even bondig als origineel, met als beste: eet minder, betaal meer (oftewel: verkies kwaliteit boven kwantiteit). Maar het is jammer dat hij het bij deze individuele ontsnappingsroute laat en nauwelijks ingaat op de consequenties van het westers dieet voor anderen dan westerlingen.

Voedselzandloper

Het begrip gezondheid is dan ook een stuk breder in Stuffed or Starved van Raj Patel, een Indiase activist en econoom die onder meer bij de WTO en de Wereldbank werkte. Zijn boek – in het Nederlands heeft het de loze titel Buy This meegekregen – is een aanklacht tegen het mondiale voedingsstelsel die er niet om liegt. Als het om macht gaat, betoogt Patel, is er geen voedselketen en ook geen voedselpiramide, maar een voedselzandloper. Onderop zwoegen de kleine boeren, die, op het Indiase platteland bijvoorbeeld, in toenemende mate zelfmoord plegen met behulp van pesticiden omdat ze op geen enkele manier rendabel kunnen produceren. Bovenaan eten onwetende consumenten zich dood aan het steeds eenzijdiger aanbod – Michael Pollan laat zien dat de verschillende doosjes uit de supermarkt doorgaans dezelfde goedkope grondstoffen hebben: soja, vetten, suiker, zout. De macht is geconcentreerd in de taille van de zandloper, bij agribusiness, tussenhandel en supermarkten.

Patels boek schetst de schrijnende onrechtvaardigheden in productieketens die we kennen uit films als China Blue (spijkerbroeken) en Black Gold (koffie). Hij hanteert hier en daar onverdraaglijk activistenproza (zoals over het ‘zoet houden’ van arbeiders met zoet en vet eten door het grootkapitaal). Maar zijn boek bevat voldoende gedetailleerde geschiedenis en veelzeggende feiten om lezenswaard te zijn. In India gaat tachtig procent van de overheidsuitgaven naar de steden, terwijl tachtig procent van de bevolking op het platteland woont. Overal ter wereld verpaupert het platteland.

Buy This verdiept de kennis over landbouw, handelsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden die veel bewuste consumenten inmiddels hebben. Maar het lost hun dilemma’s niet op. Over Fair Trade is Patel bijvoorbeeld weinig lovend, veel geld komt bij de tussenhandel terecht. Meer verwacht hij van boerenorganisaties die strijden voor landhervorming.

De consument doet er volgens Pollan en Patel ondertussen goed aan het lokale platteland te steunen door te eten uit de groentetas (met biologische, lokale waar), te kopen op de boerenmarkt, of deel te nemen aan CSA, Community Supported Agriculture, waarbij stedelingen een aandeel nemen in de verwachte opbrengst van een naburige boerderij (in de VS is dit in opkomst). Maar omdat ze beiden wonen in het mediterrane klimaat van Berkeley, Californië, hebben de auteurs hier makkelijk praten.

Toch laten groentetas en boerenmarkt in miniatuurvorm zien waar het heen zou moeten: geen voedselketens maar voedselkringlopen en lokaal, onbewerkt eten van het seizoen. Nog breder beschouwd raken deze – nu beperkte, elitaire – projecten aan een begrip dat Patel cruciaal acht: voedselsoevereiniteit, het recht van volkeren om het eigen eten te verbouwen en om goed, eerlijk eten te kunnen kopen. De realiteit kent evenwel een groeiende wereldbevolking en een WTO. Een duurzamer, rechtvaardiger voedingsstelsel vraagt volgens Patel dus om radicale hervormingen van bestaande structuren in handel, prijzen, kartelwetgeving, grondbezit, planologie en dagelijks leven.Maar tegen die tijd spreekt al lang de activist, niet langer de econoom.

Toch heeft Patel gelijk als hij zegt dat het huidige stelsel op den duur niet houdbaar is. En samen laten deze boeken zien dat wie eten volstrekt onderhevig maakt aan economische wetten, honger- én vetzucht-doden oogst.