De SGP en de vrouw

De Nederlandse rechter weet blijkbaar niet goed raad met de SGP en heeft zo de staat voor een dilemma geplaatst. Het gerechtshof in Den Haag heeft gisteren geoordeeld dat de staat tegen deze politieke partij moet optreden, omdat zij vrouwen discrimineert. Vrouwen mogen bij de SGP geen bestuursfuncties vervullen en de partij niet in gekozen organen vertegenwoordigen (het passief kiesrecht). Als de staat hiertegen niet in het geweer komt, handelt hij „onrechtmatig”, aldus het hof.

Nu had de staat al eerder opgetreden tegen de SGP door de subsidie in te trekken die deze partij ontving voor haar activiteiten buiten het parlement en andere volksvertegenwoordigende organen. Dat gebeurde op last van de Haagse rechtbank, die hiermee een verzoek van onder meer de Stichting Processenfonds Clara Wichmann had gehonoreerd. Tegen dit vonnis was de SGP in beroep gegaan bij de Raad van State. De hoogste bestuursrechter in Nederland oordeelde eerder deze maand dat de SGP wél recht heeft op de subsidie. Daaraan heeft minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) inmiddels gehoor gegeven.

Alsof het hof voelde aankomen dat zijn vonnis op zijn minst ogenschijnlijk tegengesteld is aan de uitspraak van de Raad van State, brengt het daarin ook de subsidiekwestie ter sprake. Na de vaststelling van het hof dat het niet over de subsidie mag oordelen, omdat de bestuursrechter, in casus de Raad van State, hierover gaat, geeft het er toch een opvatting over. De subsidiestop is „geen passende maatregel”, omdat het hof het „niet aannemelijk acht dat de SGP door stopzetting van de subsidie het passief kiesrecht voor vrouwen aanvaardt”. Een zinsnede die impliceert dat stopzetting van de subsidie kennelijk voor het hof wel een passende maatregel was geweest als de SGP als gevolg daarvan vrouwen in eigen kring het passief kiesrecht had geschonken. De overheid moet dus wel in actie komen tegen de SGP, maar mag subsidie daarbij niet inzetten.

De verzuchting van SGP-leider Bas van der Vlies, dat het de duidelijkheid zou hebben gediend als de rechter zijn partij had verboden, is daarom niet onbegrijpelijk. Al is zo’n verbod ongewenst. De SGP heeft recht op haar archaïsche opvattingen. Vrouwen die er lid van worden, weten waaraan ze beginnen. Wat weer niet wil zeggen dat de overheid zo’n partij, die handelt in strijd met de grondrechten van de burgers, hoort te subsidiëren. De rechterlijke uitspraken laten de minister overigens geen keus.

Wel moet zij anderszins optreden tegen de SGP. ‘Verzin een list’, daar komt het vonnis van het hof op neer. Die list moet de vorm van een wet krijgen, en daarom kan het hof een maatregel tegen de partij niet opleggen. Intussen heeft de SGP cassatie aangetekend. Tegen het vonnis van het hof is dat mogelijk; tegen de uitspraak van de Raad van State niet. Het illustreert het juridische doolhof waarin deze kwestie is terechtgekomen.