Potverdrie, ik zit hier toch maar mooi

Ruim een jaar geleden trad een nieuwe Tweede Kamer aan.

Vandaag gaat de Kamer met Kerstreces. Tijd voor reflectie over het eerste jaar met zeven nieuwelingen.

Hemelbestormers zijn het niet. Revolutionairen evenmin. Idealisten, dat zijn ze, met een groot ontzag voor de vertegenwoordigende democratie. En ze geloven dat ze iets kunnen bereiken.

In november 2006 werd een nieuw parlement gekozen. De minst ervaren Tweede Kamer ooit trad aan, met ruim zeventig nieuwelingen – bijna de helft van alle Kamerleden. nrc.next hield met zeven van hen een functioneringsgesprek na één jaar Kamerlidmaatschap, en vroeg hun naar de successen en mislukkingen, naar hun kijk op het functioneren van de Tweede Kamer en hun beleving van politiek.

Veel nieuwe Kamerleden gaven voor de politiek een maatschappelijke carrière op. Mei Li Vos (37, PvdA) was voorzitter van het Alternatief voor Vakbond (AVV) toen zij vorig jaar in de Kamer belandde. Af en toe is ze nog onder de indruk. „Gistermiddag zat ik daar weer op die blauwe bankjes, mee te stemmen over een tsunami aan moties die ik echt niet allemaal even zinnig vond. Toen dacht ik opeens weer: potverdrie, ik zít hier mooi wel.”

Arend Jan Boekestijn (48, VVD) was universitair docent geschiedenis en „rechts columnist” toen hij vorig jaar gebeld werd door de scoutingcommissie van de VVD. Hij was eraan toe, zegt hij, om politiek actief te worden. „Als adviseur van toenmalig VVD-minister van Defensie Henk Kamp zat ik een paar keer als provinciaaltje tussen bewindslieden en generaals, en toen besefte ik: hier worden dus échte beslissingen genomen.”

Jan Schinkelshoek (54, CDA) was tot eind vorig jaar directeur voorlichting bij de Rabobank. Vóór zijn toetreding tot de Kamer was hij onder meer parlementair verslaggever en CDA-woordvoerder. „Mijn vrouw was er eerst fel op tegen”, zegt hij. „Daar heb ik een ernstig gesprek over gevoerd. Ik woon op tien minuten lopen van de Kamer, en als je wilt is er altijd werk. De kiezers, de partij, de media, er wordt van alle kanten voortdurend een beroep op je gedaan. Daar moet je jezelf tegen beschermen, anders praat je op den duur over niets anders meer. Dat merk je bij sommige collega’s. Ik lees en ik schaak, dat zijn mijn vluchtheuvels.”

Media-aandacht kan verslavend zijn, zegt Tofik Dibi van GroenLinks. „In het begin ging het met me aan de haal. Als ik na een debat géén quote in de krant had, dacht ik dat er iets mis was. Ik zou met een paar controversiële uitspraken binnen een maand net zo bekend kunnen worden als Ehsan Jami (raadslid en omstreden oud-lid van de PvdA, red.). Maar daarvoor zit ik hier niet.”

Met zijn 27 jaar is Dibi nog even het jongste Kamerlid: in januari wordt aan de SP-fractie Farshad Bashir toegevoegd, die diezelfde maand twintig wordt. Het alles opslokkende karakter van het Kamerwerk valt Dibi soms zwaar. „In drukke tijden heb ik geen sociaal leven. Ik ben dertig als ik hier uit kom. Soms denk ik: ik zit hier maar met al die stukken en met mensen die veel ouder zijn dan ik, en ik sla mijn jeugd over. Maar GroenLinks moet groter worden. Dat is mijn liefste wens. Over vier jaar moeten we meeregeren.”

Nog maar een paar jaar geleden was het mode onder jonge Kamerleden om over oude politieke tegenstellingen heen samen te werken. Links en rechts bestonden niet meer, vonden ze, en politiek was niet hetzelfde als partijpolitiek. Ze vormden clubjes waarin ze over maatschappelijke problemen praatten.

De huidige lichting is anders: die draagt met trots de eigen partijkleur. Samenwerken met Kamerleden van andere partijen gebeurt hooguit om steun voor een motie of amendement te krijgen.

Ronald van Raak (39, SP) ziet zijn Kamerlidmaatschap als een manier om „de tweedeling in de samenleving tegen te gaan”. Hij wil „op de bres” voor „de verworvenheden van de socialistische beweging”, en wil „de factor arbeid organiseren om de factor kapitaal in bedwang te houden”.

Paul Tang (40, PvdA) noemt zichzelf „een echte sociaal-democraat”, met oog voor „het falen van het kapitalisme”. De voormalig ambtenaar Tang heeft het gevoel „in Big Brother te zijn beland”. „Iedere uitspraak leidt tot een reactie, ieder conflict heeft een eigen dynamiek. Ook doordat er camera’s op staan. Iedere dag zijn er spoeddebatten, waarin je heel kort iets mag zeggen. Frustrerend.”

Ruimte om fouten te maken is er niet, zegt Tang. „Die worden meteen afgestraft. Ik heb zelf een keer een journalist niet tegengesproken toen hij vroeg of ik een initiatief-wetsvoorstel zou indienen. Vervolgens stond in de krant dat ik dat ging doen. Nu spreek ik meer de taal van politici: ‘Dat heeft u mij niet horen zeggen!’”

Fleur Agema (31, PVV) vindt de Tweede Kamer „oppervlakkiger” dan ze verwacht had. „Als Statenlid in Noord-Holland was ik wel wat gewend. Maar de Kamer neemt heel weinig tijd voor debatten over fundamentele kwesties, we jagen de agenda erdoorheen. In het debat over de eigen bijdrage in de zorg had ik zes minuten spreektijd. We hollen van spoeddebat naar spoeddebat.”

Volgens nieuwkomer Jan Schinkelshoek is de volksvertegenwoordiging te veel met incidentenpolitiek bezig. Hij diende een motie in waarin hij pleit voor ‘parlementaire zelfreflectie’, een vorm van zelfonderzoek. Ook Ronald van Raak zegt dat „het ontbreekt aan fundamenteel debat in de Kamer”. „Er heerst een meningendemocratie. Een onderwerp kan plotseling in het nieuws zijn, wij moeten daar dan meteen iets van vinden. Het is moeilijk je daar aan te onttrekken.”

Van Raak vindt de onervarenheid van veel Kamerleden een probleem. „Voor veel collega’s is dit een tussenstap in hun carrière. Ze doen het een paar jaar en zijn dan weer weg. Kennelijk staat de Kamer maatschappelijk niet hoog genoeg in aanzien.” Arend Jan Boekestijn: „In mijn omgeving zei iedereen: je bent gek. Je bent dol op college geven, je reist de wereld over, je hebt toegang tot de media, en dat verruil je voor een baantje als Kamerlid?”

Boekestijn noemt het werk, zeker voor een lid van een oppositiepartij, „ongelooflijk moeilijk”. „Ik maak elke dag fouten. Ik heb er baat bij dat ik iemand van woorden ben, van stijl: een Kamerinbreng moet kort, puntig en liefst ook geestig zijn, net als een column. Maar daarmee ben je er nog niet. Als je alleen maar de kachel aanmaakt met de regering, dan haal je wel vaak de media, maar heb je niet veel invloed.”

In juni diende Arend Jan Boekestijn een motie in die onafhankelijke beleidsevaluatie bij het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking mogelijk moest maken. „De motie werd aangenomen, en tenslotte kwam er een ‘interpretatie’ van minister Koenders terug: er was nauwelijks iets van over. Het liep stuk op de macht van hoge ambtenaren. Toen voelde ik me even een enorme sukkel.” Inmiddels ziet hij het weer zitten: „Ik ga gewoon zelf hoorzittingen organiseren. Ik ben een jaren 60-hippie, en de regering is het establishment.”

Fleur Agema heeft „nog niet één keer” een motie aangenomen gekregen. Zelfs niet toen ze in de Kamer „proefde” dat er steun voor was, zoals haar motie die prostitutie onder de 21 jaar moest verbieden. Gelukkig zijn er nog de Kamervragen. Liefst 130 stelde Agema er al. „Veel? Het is maar wat je veel noemt. Ik lees elke dag in de krant over misstanden in de zorg.”

Mei Li Vos geniet van het werk, zegt ze. Van dinsdag tot en met donderdag, als de Kamer vergadert, neemt ze zonder problemen genoegen met héél weinig slaap. „Ik doe geen dingen die ik niet leuk vind. Ik ga ook graag naar een lekkere afdelingsvergadering met vooral oudere leden.”

Tofik Dibi: „Je moet het leuk maken voor jezelf. Ik heb laatst een voorstel ingediend om alle snoepautomaten in scholen door condoomautomaten te vervangen. Zoiets haalt het natuurlijk nooit, maar je laat er wel mee zien dat je niet wereldvreemd geworden bent.”