Melnikovs bulten in het rood

In de architectuur wordt originaliteit geprezen. Daarom valt het op als gebouwen op elkaar lijken. In deze aflevering gaat het over het het gebruik van architectuurtaal.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw, het tijdperk van het postmodernisme, werd vaak beweerd dat architectuur een taal is. Niet voor niets heette het boek van Charles Jencks dat het postmodernisme in 1977 introduceerde in de architectuur The Language of Post-Modern Architecture.

Tegenwoordig hoor je nauwelijks meer iemand over architectuur als taal. Zelfs Charles Jencks lijkt er niet meer in te geloven. De zoveelste, bijgewerkte versie van zijn boek over postmodernistische architectuur heeft het woord ‘language’ in ieder geval verloren en heet The New Paradigm in Architecture.

Het woord ‘expressief’ dat nu onder architecten in de mode is, is een restant van het geloof in de architectuurtaal. Meestal wordt er mee bedoeld dat een gebouw ‘wild’ is of gevels met veel reliëf heeft. Maar het woord suggereert ook dat er iets met het gebouw wordt uitgedrukt. Maar wat? Als architectuur al een taal is, dan is het een heel gebrekkige taal waarin weinig kan worden uitgedrukt. Zeker, een gebouw kan door bonte kleuren en wilde vormen ‘vrolijk’ stemmen, zoals Sjoerd Soeters’ casino met zijn nepvlaggen en golvende dak in Zandvoort. Een somber gebouw is ook mogelijk, zoals de Beurs van Berlage in Amsterdam, al zal het nooit Berlages bedoeling zijn geweest om de voorbijgangers op het Damrak droevig te maken. Maar meer dan zulke fundamentele gevoelens weet architectuur niet op te roepen: een mild ironisch gebouw is ondenkbaar.

Postmodernisten waren niet de eersten die architectuur als een taal beschouwden. Al in de achttiende eeuw streefden Franse architecten naar een ‘architecture parlante’, sprekende architectuur. Zo ontwierp Claude-Nicolas Ledoux een bordeel met een plattegrond in de vorm van een lid en twee ballen. Het idee dat architectuur een rijk vocabulaire had, vond in de jaren twintig van de 20ste eeuw veel aanhang onder Russische ‘rationalisten’ als Nikolaj Ladovski. Zij wilden door uitgebreid onderzoek naar de effecten van vormen, kleuren, materialen en ruimtes op het gemoed van proefpersonen, een soort woordenboek van de architectuur maken.

Met dit woordenboek is het nooit wat geworden; de effecten bleken te zeer uiteen te lopen. Maar volgens Charles Jencks in zijn Language of Post-Modern Architecture heeft de Russische ‘rationalist’ Konstantin Melnikov met zijn Roesakov-arbeidersclub in Moskou uit 1927 de architectuur wel het woord ‘auditorium’ gegeven. Sinds de club is gebouwd, betekent een hoekige uitstulping in een gebouw dat het een auditorium omvat. De Roesakov-club heeft er zelfs drie. Ze fungeren als balkons van de grote theaterzaal en kunnen door schuifwanden worden veranderd in drie afzonderlijke auditoria.

Ook op verschillende plekken in Nederland zijn gebouwen met Melnikovs bulten opgedoken. Zo kreeg ruim tien jaar geleden Koen van Velsens bioscoop op het Schouwburgplein in Rotterdam een Melnikov-bult.

Maar de nauwste Nederlandse verwant van de Roesakov-club is toch CineMec, een door DP6 ontworpen bioscoop met acht zalen pal langs de A1 bij de afslag Ede. De zalen zijn ondergebracht in drie grote knalrode bulten die uit het gras van de geluidswal steken. Vanaf de snelweg gezien is het alsof een rood geschilderde Roesakov-club in het talud is ingegraven.