Leraar worden duurt te lang en levert te weinig op

Alle complimenten voor Onderwijsminister Plasterk, die het lerarentekort aanpakt.

Maar het helpt niks als academici elders in minder tijd meer kunnen verdienen.

Het lerarentekort wordt met de dag beter voelbaar. Alle complimenten daarom voor een minister die probeert dit probleem aan te pakken. Toch biedt hij geen oplossing voor het feit dat steeds minder academici voor het onderwijs kiezen.

Dat het lastig is studenten te interesseren voor het leraarschap, houdt onder meer verband met de lengte van het studieprogramma. Zo’n twintig jaar geleden kon elke universitaire student – bovenop zijn studieprogramma – in zes maanden een didactische aantekening halen, die de mogelijkheid gaf om na de studie als eerstegraadsleraar aan de slag te gaan. Nu is de investering forser: een programma van twee jaar na de bachelor of science of één jaar na de master of science.

Een tweede probleem is de salariëring. Een aan de universiteit afgestudeerde leraar verdient net zoveel als zijn collega die een opleiding volgde aan een hbo-instelling, maar loopt wel twee jaar achter in salaris omdat het universitaire traject langer duurt. Ook de vergelijking met andere beroepen is niet gunstig. Het gemiddelde startsalaris van een academicus die bijvoorbeeld natuurkundeleraar wordt, is lager dan dat van zijn medestudent die een baan buiten het onderwijs vindt. Tijdens de loopbaan worden de verschillen nog groter. De nieuwe plannen van minister van Onderwijs Plasterk (PvdA) voorzien niet in een structureel hogere salariëring voor de eerstegraads docenten. Dat is een gemiste kans.

Alle goede bedoelingen ten spijt, lijken de plannen die de overheid wel lanceert om iets te doen aan het tekort aan eerstegraads bètaleraren soms ver van de realiteit te staan. Zo ging onlangs het Sprint Up-programma van start, waarin universiteiten wordt gevraagd om tijdelijk 800 universitaire bètadocenten in te zetten en te ruilen met 400 docenten in het voortgezet onderwijs. Doel hiervan is een betere aansluiting tussen vwo en wetenschappelijk onderwijs te garanderen en het lerarentekort te bestrijden. Universiteiten willen wel meedoen, maar vragen zich af waar ze die docenten vandaan moeten halen. Ze hebben immers zelf ook moeite om voldoende bètawetenschappers te trekken. Dit is een van de redenen waarom zoveel promovendi afkomstig zijn uit het buitenland. Voor de TU Delft is dat ruim 50 procent. De doorsnee bètapromovendus, Nederlander of niet, gaat bovendien naar het buitenland voor zijn onderzoekscarrière, niet naar het vwo. Er zijn grotere stappen nodig om de academicus weer voor de klas te krijgen.

1Een eerste noodzakelijke stap is het inkorten van het opleidingstraject van de eerstegraadsleraar. Deze stap impliceert dat de inhoudelijke kant van de opleiding van een universitaire student echt wordt gewaardeerd, en dat het didactische deel beperkt blijft tot enige maanden. Het geeft studenten de mogelijkheid om hun didactische bekwaamheid naast en tijdens hun studie te verwerven en zorgt ervoor dat afgestudeerden ook later in hun loopbaan de overstap naar het onderwijs kunnen maken. Overigens kan worden overwogen om universiteiten ook een rol te geven in het opleiden van tweedegraadsleraren, door studenten met een universitair bachelordiploma, aangevuld met een didactische aantekening, als leraar een plek te bieden op de arbeidsmarkt. Dat is zelfs in lijn met de opmerking van de minister dat het bachelordiploma serieuzer moet worden genomen.

2Laten we accepteren dat een universitaire student ook maar een mens is en, net als andere mensen, economische overwegingen meeneemt in zijn keuzes. Schat een eerstegraads leraar met een academische opleiding op zijn waarde. Want op een enkele idealist na zal de student niet kiezen voor het prachtige vak van leraar, zolang de salariëring ervan niet overeenkomt met zijn opleidingsniveau en marktwaarde.

De minister heeft wellicht goede redenen geen grote maatregelen te nemen voor het eerstegraadsonderwijs. Dan moeten wij ervan uitgaan dat hij accepteert dat leerlingen les krijgen van tweedegraads leraren. En dat hij helaas van universiteiten weinig hulp kan verwachten. Want zonder dit soort maatregelen zullen universiteiten noodgedwongen boven de soep blijven roeren en geen reële bijdrage kunnen leveren aan het aanpakken van het lerarentekort.

Anka Mulder is directeur onderwijs en studentenzaken van de TU Delft. Paul Rullmann is lid college van bestuur van de TU Delft.

Meer over lerarenopleidingen voor bèta’s op tulo.nl, een samenwerkingsverband tussen TU Delft, de TU Eindhoven en de Universiteit Twente.