Jansons dirigeert mooie Dvorák

Klassiek: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Janssons. Gehoord:19/12 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 20, 21, 23/12; 26/12 (Dvorák)

De Achtste symfonie van Dvorák, volgende week het sluitstuk van de Kerstmatinee van het Koninklijk Concertgebouworkest en chef-dirigent Mariss Jansons, staat deze week al vier keer op de concertprogramma’s. Voorafgaand aan Dvorák worden op Eerste Kerstdag Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen gezongen door de bariton Thomas Hampson, in 1995 dé revelatie van het Mahler Feest.

Nu klinkt Beethoven vooraf: het Derde pianoconcert, gespeeld door de Tsjechische pianist Ivan Moravec. Hij doet dat opmerkelijk koel, keurig en netjes maar vrijwel zonder interpretatie, persoonlijkheid, uitstraling of temperament. Men kan dat objectiverende waarderen, maar iets extra’s of speciaals heeft het ook niet.

Moravec speelt ook zonder kleuring: geen zweem van de neo-romantiek van Wilhelm Kempff of de veel bescheidener vormen daarvan zoals bij Murray Perahia of Ronald Brautigam. En zonder ook maar iets van de fonkelende sprankeling, zoals die eind augustus tijdens het Festival Oude Muziek in dit pianoconcert klonk bij Kristian Bezuidenhout. Het meest vervoerend was Jansons begeleiding in het Largo. Als toegift speelde Moravec een mazurka van Chopin.

Gelukkig had Jansons in Beethoven een wat kleinere orkestbezetting dan in de ouverture Oberon van Weber, waarmee het concert opende. Het klankbeeld liep daar nogal eens dicht.

Dvorák is zeer besteed aan Jansons, die in Amsterdam fenomenale uitvoeringen leidde van de Negende symfonie . De Negende schemerde ook in de Achtste symfonie al voortdurend door de noten heen. In het Adagio was er in verstilde passages dramatiek van onbestemde vlagen en sidderingen. Het Allegretto grazioso, het aantrekkelijkste deel, was briljant lichtvoetig. Het slot van de symfonie was extreem spetterend, typisch Jansons.