Indrukwekkende reliëfs en paneelschilderingen

Tentoonstelling: Het geheim van Polen: Middeleeuwse meesterwerken. Museum Catharijneconvent, Utrecht. T/m 6/1. Inl.: 030-2313835 of www.catharijneconvent.nl.

Hoe oostelijker in Europa, lijkt het, hoe onbekender de kunst van de late middeleeuwen. Is het terecht dat boeken over die periode overlopen van aandacht voor landen als Frankrijk, Italië en Duitsland, en zwijgen over bijvoorbeeld Polen? De tentoonstelling Het geheim van Polen in het Utrechtse Catharijneconvent lijkt deze ogenschijnlijke omissie te willen goedmaken. Ruim vijfentwintig schilderwerken, retabels en sculpturen, afkomstig uit het Nationaal Museum in Warschau, worden er gepresenteerd als het puikje van de Poolse gotiek. Kunnen deze indrukwekkende ensembles van beschilderde panelen, uit hout en steen gekapte reliëfs en beeldhouwwerken zich inderdaad meten met het beste dat bekendere artistieke centra hebben voortgebracht?

Er zijn in elk geval mooie en verrassende werken bij. Een voorbeeld is een paneel met een voorstelling van Maria als tempelmaagd (na 1491), van een onbekende schilder die vermoedelijk in Wroclaw werkzaam was. Het toont de Maagd Maria als jong meisje, zoals ze volgens de legende enkele jaren in de tempel van Jeruzalem verbleef. Ze staat met gevouwen handen voor een purperen doek dat twee engelen tegen een gouden achtergrond ophouden. Haar blauwe gewaad is voorzien van een regelmatig patroon van gouden korenaren – een verwijzing naar de eucharistie en het offer van Christus. Eenzelfde patroon van motieven komt terug op een plaats waar je het minder snel verwacht: een retabel dat de schilder Nicolaus Obilman in 1466 maakte voor een kerk in Legnica, 75 kilometer ten westen van Wroclaw. Een van de panelen toont de episode waarin de lijdende Christus door Pontius Pilatus aan het volk wordt getoond. Terwijl de omstanders hem beschimpen, hun tong naar hem uitsteken en obscene gebaren maken, staat Christus er lijdzaam bij, naakt op zijn doornenkroon en rode mantel na. Zijn lichaam is overdekt met wonden die, zoals de decoratieve motieven in Maria’s arenkleed, volgens een regelmatig patroon zijn aangebracht. Elk bestaan ze uit een horizontaal sneetje waaruit precies drie drupjes bloed sijpelen.

Hoe onderhoudend en gedetailleerd deze en andere panelen van het retabel ook zijn geschilderd, de weergave van zo’n wondenpatroon is al te schematisch, net als bijvoorbeeld de wezenloze en sjabloonachtige koppen van de figuren. Daarmee staat het werk mijlenver af van de ‘invloed van Vlaamse primitieven’, zoals de sectie waar het hangt is getiteld. Met het briljante werk van Jan van Eyck of Rogier van der Weyden heeft het weinig van doen. Eerder gaan de gedachten uit naar voorbeelden uit Duitsland of het toenmalige Bohemen (tegenwoordig in Tsjechië). Dat is in deze context ook logischer. Op drie werken uit Frankrijk en Duitsland en vier uit het oude koninkrijk Polen na, zijn alle werken afkomstig uit Wroclaw en andere plaatsen in het toenmalige hertogdom Silezië, dat in de vijftiende eeuw viel onder Bohemen en zich in artistieke zin sterk op de Duitse landen oriënteerde.

Dat blijkt alleen al uit de opschriften bij de kleurige voorstellingen op een drieluik over de legende van de heilige Hedwig van Silezië (Wroclaw, circa 1430-1440), die zijn gesteld in het Duits.

Beeldhouwers uit Silezië werden vaak opgeleid in het Beierse Neurenberg. Omgekeerd was de grote Zuid-Duitse beeldhouwer Veit Stoss vanaf 1477 bijna twintig jaar werkzaam in Krakau. Maar zijn invloed blijkt in de tentoonstelling het duidelijkst in een magnifiek lindehouten reliëf dat de Silezische houtsnijder Jacob Beinhart maakte voor een kapel in Wroclaw. Het werk stelt de evangelist, en, volgens de legende, schilder Lucas voor die een portret aan het maken is van de Maagd Maria.

De compositie, de gevarieerde plooival en de karakteristieke gezichtsuitdrukking van Lucas verraden inspiratie op werk van Stoss. En een kalkstenen beeld van de heilige Catharina van Alexandrië van een Silezische beeldhouwer van omstreeks 1400, vertoont een elegante S-curve in het lichaam die duidelijk is ontleend aan de zogenaamde ‘schöne Madonnen’ zoals die in de late veertiende eeuw tussen Parijs en Praag tot stand kwamen. Die invloeden zijn veel duidelijker dan die uit Vlaanderen of, zoals een andere afdeling van de expositie suggereert, Italië.

Dat de expositie ‘middeleeuwse meesterwerken’ toont, daar valt niets op af te dingen. Het is ook uitzonderlijk dat kwetsbare werken als vijftiende-eeuwse paneelschilderingen op deze schaal worden uitgeleend. Alleen dat al maakt deze expositie bijzonder. Maar dat het zou gaan om een rehabilitatie van ‘Poolse topstukken’, zoals de titel van de catalogus suggereert, is maar ten dele waar.