Grootverbruik in Baltimore

George Mitchell noemt in zijn rapport over doping onder honkballers vooral (oud-)spelers van Baltimore Maar de club bleek ondanks geruchten niet het centrum van de dope-distributie.

Sterspeler Brian Roberts van Orioles erkende dopegebruik. Foto AFP Brian Roberts of the Baltimore Orioles rounds the bases after he hit a leadoff home run in the first inning against the Boston Red Sox 31 July 2007 at Fenway Park in Boston. AFP PHOTO/Elsa/Getty Images FOR NEWSPAPERS, INTERNET, TELCOS AND TELEVISION USE ONLY AFP

Klopt het? De Amerikaanse oud-senator George Mitchell noemt in totaal negentien (voormalige) spelers van Baltimore Orioles in zijn vorige week gepubliceerde rapport over dopegebruik; meer honkballers dan van enig ander team.

Onder hen topspelers Miguel Tejada, die volgend seizoen voor de Houston Astros speelt, all star Brian Roberts en Rafael Palmeiro, die in 2005 positief werd getest op de synthetische steroïde stanozolol. Zij stortten daarmee het Amerikaanse honkbal in een crisis.

De leiding van de Orioles voelde zich door Mitchell in de hoek gezet en tekende afgelopen weekeinde als enige van de dertig profclubs officieel bezwaar aan tegen het rapport. De klachten van de staf van de Orioles concentreerden zich rond de persoon van Roberts. Tegen hem wist Mitchell alleen indirect bewijs te verzamelen: volgens voormalig medespeler Larry Bigbie had Roberts hem meegedeeld één of twee keer steroïden te hebben gebruikt. De leiding van de Orioles zei dat het citaat van Bigbie, en de consequenties die eraan waren verbonden voor Roberts, kenmerkend was voor de werkwijze van de voormalige senator. Mitchell zou geen onderscheid hebben gemaakt tussen feiten en roddels; hij zou gebruikers en mogelijke gebruikers op één hoop hebben gegooid.

Het leek een terechte klacht, tot Roberts eergisteren in een persverklaring erkende steroïden te hebben gebruikt. Daarmee zette Roberts, de populairste Oriole en een local hero, niet alleen zichzelf te kijk, maar vooral ook de clubleiding. Mitchell bleek het toch bij het juiste eind te hebben gehad.

Als het management van de Orioles slim was geweest, had het zich geconcentreerd op de drugsstroom in plaats van op spelersnamen. Wie het rapport van Mitchell goed leest, weet dat de kleedkamer van de Orioles niet het middelpunt was voor de inname van en handel in steroïden. Mitchell toont aan dat de distributie (onder meer) plaats had vanuit het kantoor van Kirk Radomski, een voormalige batboy in dienst van de New York Mets, gevestigd in St. James, in de staat New York. Radomski verkocht tussen 1995 en 2005 steroïden aan tientallen spelers, maar verreweg de meesten kregen hun dope van hem via een tussenpersoon. Een van de prominentste tussenpersonen was de honkballer David Segui, een zogeheten journeyman die van team naar team trok en in elke kleedkamer de naam Radomski liet vallen. Segui speelde acht seizoenen voor de Orioles, maar ook voor andere clubs als de Mets, de Texas Rangers, de Seattle Mariners en het voormalige Montreal Expos. Vast staat dat Segui bij de Orioles voormalige medespelers Bigbie én Roberts aan steroïden hielp.

Tejada, die van 2004 tot en met 2007 voor de Orioles speelde, figureert ook prominent in het rapport van Mitchell. Maar hij zou zijn drugs (steroïden en groeihormonen) vóór zijn overgang naar Baltimore bij Radomski hebben besteld, via een voormalig teamgenoot bij de Oakland Athletics, Adam Piatt. Een andere gebruiker in dienst van de Orioles, Jay Gibbons, betrok zijn stimulerende middelen via Signature Pharmacy, een bedrijf in Orlando. Ze werden rechtstreeks naar zijn huisadres in Arizona gestuurd. Voor zover bekend heeft geen enkele (voormalige) speler van de Orioles boodschappen gedaan bij Balco, het laboratorium in San Francisco waar de persoonlijke trainer van Barry Bonds kind aan huis was.

Waarom zoveel Orioles? Oud-senator Mitchell geeft geen verklaring, maar die ligt voor de hand. Als geen ander Amerikaanse honkbalteam teert de club, die van de late jaren zestig tot en met de vroege jaren tachtig over het Amerikaanse honkbal heerste, op een roemrijk verleden. In de hoop op nieuwe glorie kochten de Orioles de afgelopen twintig jaar lukraak spelers, die vaak niet langer dan één of twee seizoenen in Baltimore doorbrachten. De druk op de club was groot, die op spelers niet minder.

Het verschil tussen een basisplaats en een plaats op de bank of, erger, terugzetting naar het tweede team, maakt voor de spelers miljoenen dollars verschil uit in hun salarissen. De concurrentie is moordend. Steroïden konden het verschil maken tussen roem en een anoniem bestaan in de bush leagues. Mitchell noemt negentien Orioles. Dat klopt: op enig moment in hun loopbaan droegen ze het uniform van de honkbalclub uit Baltimore. Maar de meeste waren honkballende handelsreizigers in plaats van clubspelers. De staf van de Orioles had naar één van hen, David Segui, moeten wijzen, in plaats van naar clubspeler Brian Roberts. Als teken dat geen club (of speler) vrijuit gaat.