Drukte van belang

Met de begrafenis wordt niet alleen het lichaam opgeruimd, maar ook de verhalen die aan het lichaam kleven. Tenminste – zo vergaat het de oudjes uit mijn dorp meestal. Zodra ze onder de grond liggen houden ze op te bestaan, naar aanwezigheid en naar geest. Misschien blijven ze nog een schakeltje in een stamboom, maar verder – geen herinneringen, geen reliëf. Gewist uit het dorpsgeheugen.

Maar de begrafenis van een jonge vrouw met twee onbekende vaders, die ook nog eens werd vermoord, dat is andere koek. Zo’n begrafenis is een aftrap.

’t Lijkt waarachtig of er in Niemandsdorp een kalf met vijf hoofden en een koperen staart is geboren, zoveel aanloop hebben we.

Ik heb de laatste jaren wel vaker een politieauto in het dorp gezien. Dan klommen er drie of vier mannen uit hun dienstwagen die broek en jas rechttrokken en hola! riepen. Om vervolgens in het café van São een espresso te drinken. Eén keer waren ze er om de schade van een brandje op te nemen. En één keer om iemand die zonder vergunning een extra verdieping op zijn huis wilde bouwen bestraffend toe te spreken. Maar nooit heb ik drie politieauto’s tegelijk in het dorp gezien.

Eerst agenten van de gemeente, om negen uur ’s ochtends precies, vervolgens agenten van de provincie, om kwart over negen, en ten slotte ruim na half tien de nationale agenten. Elke groep met een geraffineerder pet, een extra gesp, een minder boerse blik. Er wordt serieus werk van ons dorp gemaakt.

Ook de bruxos, heksen en waarzeggers hebben er hun handen vol aan.

Iedereen lijkt zeker te weten dat een van de vaders – de vader van Patricia of de vader van Patricia’s ongeboren kind – de moordenaar is. En voor die rol komt elke mannelijke dorpeling tussen de achttien en de achtentachtig in aanmerking. Geen wonder dat er plaats is voor zoveel speurneuzen en magiërs.

De ene wonderdokter struint met een wichelroede het dorp af, bij iedere trilling een voorbarige juichkreet onderdrukkend, en de andere wonderdokter smeert de deurposten in met schapenvet. Ik neem aan dat zulk vet op moordenaarshuizen rooie stippen krijgt. De tovenaars worden door de agenten genegeerd.

De oude Maria Elena weet zelfs te verklaren, terwijl ze op het kleine pleintje naast de pestzuil haar handen ten hemel heft, dat er twee moordenaars bestaan en maar één vader. Maar ze holt de laatste maanden in de derde versnelling achteruit en niemand schenkt haar geloof.

Maria Elena wordt wel vaker op het pleintje gesignaleerd met haar handpalmen hemelwaarts. Dan roept ze dat het woestijnzand zal gaan regenen of dat de Moren het dorp zullen binnentrekken.

De agenten ruziën intussen over wie het voortouw zal nemen. ’t Is een duivels dilemma voor gezagsdragers. De burgerlijke stand valt onder gemeente, maar moord valt onder gemeente, provincie en staat. Wie rapporteert, wie draagt de verantwoordelijkheid? Er gaat een hele dag voorbij en nog hebben de agenten zich geen stap van hun voertuigen verwijderd. Om vijf uur ’s middags wordt de conferentie opgeheven. De auto’s scheuren het dorp uit, de staat voorop, ons in stofwolken achterlatend.

Gerrit Komrij