Dictee

Uit nieuwsgierigheid naar de laatste door Jan Wolkers geschreven woorden, en ook wel als een soort hommage aan hem en zijn weduwe Karina, besloot ik weer eens naar het Groot Dictee der Nederlandse Taal te kijken.

Ik had het al zeker in geen tien jaar meer gezien. Als tv-programma sec heb ik het altijd behoorlijk saai gevonden, en in dat opzicht bleek er nauwelijks iets veranderd – het blijft een schoolklas uit de jaren vijftig voor volwassenen, inclusief de meester die net als in een ouderwets jongensboek zeer in zijn nopjes is en bedaagde grapjes maakt („De vrouwenkuiten zijn aan jou, Martine”) waar hij zelf het meest om moet glunderen.

Ik was destijds ook afgehaakt omdat spellingskwesties me steeds minder relevant voorkwamen naarmate de willekeur van de taaldeskundigen overheersender werd. Wie onze taal schriftelijk gebruikt, zal de groene (of, toemaar, witte) woordenlijst in de buurt moeten hebben wil hij foutloos blijven. Het heeft weinig zin steeds alle wijzigingen in je kop te stampen, want over een paar jaar is het weer anders. Droevig, maar waar.

Inmiddels is het Groot Dictee zelfs een nogal hypocriete taalklucht geworden nu de Volkskrant, een van de organisatoren, zelf een andere spelling hanteert (die van het Witte Boekje) dan de jury van het Dictee.

Allemaal overwegingen waar ik Jan Wolkers gisteravond niet mee wilde lastig vallen (lastigvallen?). Over zijn graf heen kon hij ons nog eenmaal toespreken – en dat moest hem vooral niet belet worden. Sterker nog, voor ik besefte wat er precies met me gebeurde, had ik pen en papier gepakt en schreef ik in opperste concentratie mee.

Wat meehielp, ik moet het bekennen, was het feit dat de tekst bij eerste voorlezing een niet al te moeilijke indruk maakte. Minder dan tien foutjes, dat moest kunnen, dacht ik met overmoed die aan roekeloosheid grensde.

Het wás ook makkelijker dan vroeger. Het aardige van deze tekst was dat Wolkers zich niet in alle bochten had gewrongen om het ons met przewalskipaarden en dergelijke zo moeilijk mogelijk te maken. Het enige ongewone woord dat ook ik niet kon thuisbrengen, was ‘schrepele’ (mager, schriel).

Niettemin was het moeilijk genoeg. ‘Hete bliksem’ wel of niet aan elkaar, ‘Jacob’ met ‘c’ of ‘ k’, ‘Schriftlezing’ en ‘Godsgezanten’ met of zonder hoofdletter en moest er nou wel of niet een ‘i’ achter de tweede ‘l’ van ‘brillantine’? Ga er maar aanstaan (aan staan?)

Ik bleek ten slotte dertien fouten te hebben gemaakt, drie meer dan de twee winnende prominenten en acht meer dan de winnende Vlaamse mevrouw, maar – hoera – tien minder dan de gemiddelde prominent. Niet slecht, maar helaas ook weer geen reden om mezelf op de smalle borst te kloppen. Per slot van rekening schrijf ik dagelijks een tekst, dit in tegenstelling tot de meeste (meesten?) van de deelnemers.

Bovendien waren er fouten bij die nog lang zullen terugkomen in nare dromen, waarin vergeten schoolmeesters de sardonische gedaante van Philip Freriks hebben aangenomen. ‘Gedweeë’ schreef ik met een trema op de voorlaatste ‘e’, ‘brijige’ kreeg een overbodige trema op de ‘i’ en ‘van jongs af aan’ breide (breidde?) ik onnodig aan elkaar.

Voorlopig doe ik niet meer mee aan dit scurriele (?) tv-programma.