De Unie die geen unie is

Is het toeval dat er, aan de vooravond van ‘Lissabon’, waar op 13 december de staatshoofden en regeringsleiders van de 27 leden van de Europese Unie het verdrag ondertekenden dat in de plaats komt van de door Frankrijk en Nederland in 2005 geaborteerde Europese ‘grondwet’ – is het toeval dat er verscheidene stemmen opgingen die het betreurden dat het woord ‘Unie’ een verkeerde voorstelling van de werkelijkheid gaf?

Op 29 november sprak minister Donner de laudatio uit voordat aan E. P. Wellenstein de Von der Gablentzprijs werd uitgereikt, genoemd naar de onlangs overleden Otto von der Gablentz, die van 1982 tot 1990 Duits ambassadeur in Nederland was en aan wie, een beetje met voorbijgaan van eveneens voortreffelijke voorgangers, de eer werd gegeven Nederland met Duitsland te hebben verzoend.

In zijn rede herinnerde Donner eraan dat Europa, sinds het in 1950 van start ging, verschillende namen had gehad. Eerst stond het onder een Hoge Autoriteit, daarna kwam het onder een Commissie, maar „commissies zijn er vele; de Hoge Autoriteit was uniek”. Daarna werd het Gemeenschap, en sinds 1992 is het Europese Unie. Maar „ook unies hebben we vele, en er was maar één gemeenschap. Met die naamsverwisselingen hebben we iets wat uniek is, in het spraakgebruik gemaakt tot iets algemeens en gewoons.”

In zijn dankwoord zei Wellenstein – en het zal wel geen afgesproken werk met Donner zijn geweest – dat hij „‘Gemeenschap’ nog altijd een veel passender benaming vond dan ‘Europese Unie’, dat ten onrechte eenvormigheid suggereert”.

De vraag is natuurlijk of het woord ‘Gemeenschap’ dat niet ook doet. Bestaat er een gemeenschap tussen Esten en Portugezen of tussen Zweden en Sicilianen?

Hoe dit ook zij – het toeval wilde dat ik kort vóór ‘Lissabon’ een artikel in het Deense Politiken onder ogen kreeg, dat op hetzelfde thema hamerde. (Hier moet ik een klein ‘terzijde’ inlassen. Lees ik dan Deens? Nee, maar de schrijver van het artikel, Erik Holm, ken ik wel; en die stuurde het mij in vertaling op. Hij is – ook dit terzijde – de auteur van het boek The European Anarchy, dat ik in 2001 besprak.)

Ook Holm betoogt dat de Europese Unie geen unie is, omdat een unie vooronderstelt dat de landen begrepen worden als een eenheid en handelen als een eenheid ten opzichte van de omringende wereld, en dat is duidelijk niet zo. Er is geen gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidspolitiek. Er is een Europese munt en een centrale bank, maar er is geen gemeenschappelijke economische politiek. Wat dat betreft is Europa, zegt hij, een fata morgana gebleven.

Hoe komt dat? Wat het buitenlands en veiligheidsbeleid betreft, is de oorzaak dat dat beleid anders tot stand komt dan andere vormen van beleid. Het is mogelijk om, door geven en nemen, te komen tot een gemeenschappelijk beleid in een reeks sectoren, zoals landbouw, handelspolitiek, milieubeleid. En dat is dan ook wat, over ’t algemeen met groot succes, in Europa gebeurd is.

Maar zo komt een buitenlands en veiligheidsbeleid niet tot stand. Dat heeft te maken met tal van factoren van meer irrationele aard, zoals geschiedenis, traditie, vooroordelen, trots, vertrouwen, ja zelfs mythes en ficties. Vandaar dat het hier veel moeilijker is tot eenheid te komen.

De Europese Unie is dan ook, ondanks haar naam, nog steeds niet tot een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid kunnen komen. Dat bleek op dramatische wijze op de Balkan in de jaren 90 en tijdens de aanloop tot de oorlog in Irak in 2003. En nóg voert president Sarkozy ten opzichte van Rusland en China een heel ander beleid dan bondskanselier Merkel.

Er komt nu wel een Europese president, maar die kan, volgens Holm, alleen maar als een soort secretaris-generaal dienen. De 27 staatshoofden en regeringsleiders laten zich niet zo gauw de kaas van het brood eten – afgezien nog van de protocollaire problemen die zo’n nieuwe figuur oproept (heeft hij voorrang vóór onze koningin?).

Er komt ook een soort minister van Buitenlandse Zaken, maar die is zonder buitenlandse politiek hulpeloos.

Hoe verschillend er binnen de Unie over haar toekomst wordt gedacht, bleek toen, op de avond van 13 december, Gordon Brown en Nicolas Sarkozy in aangrenzende kamers twee volslagen verschillende visies over Europa etaleerden. Voor de een ging het alleen om economie, milieu en veiligheid; voor de ander om de vraag wat ‘de nieuwe droom’ voor Europa zal moeten zijn. Clash of civilizations.

Overigens schept Gordon Brown een nieuwe probleem. Zijn houding tegenover Europa wordt gekenmerkt door een onverschilligheid die grenst aan onbeschoftheid, zo niet vijandigheid. Hij kwam pas in Lissabon drie uur na de ondertekening van het verdrag aan.

Als minister van Financiën had hij trouwens al vaak in Brussel verstek laten gaan. Als de Nederlandse regering nog enige illusie koestert over Groot-Brittannië als een soort bondgenoot, dan zal zij die toch op z’n minst moeten herzien.

Maar terug naar de Unie die geen unie is. Er valt toch iets te zeggen voor handhaving van die naam, en niet alleen om de praktische reden dat die nu eenmaal vijftien jaar in gebruik is.

Als niet gestreefd wordt naar méér dan het bereikbare, dan wordt ook het bereikbare niet bereikt. Wat Europa in vijftig jaar heeft bereikt, is grotendeels te danken aan hen die meer hadden willen bereiken. Ook de sociaal-democraten zingen nog altijd: „De Internationale zal heersen over deez’ aard.” Dat schept op z’n minst een gevoel van onderlinge solidariteit.

Het risico is evenwel dat de kloof tussen ideaal of pretentie ener- en werkelijkheid anderzijds zo groot wordt dat zij de geloofwaardigheid van ideaal of pretentie gaat aantasten. Daarom blijft het Franse en Nederlandse ‘nee’ van voorjaar 2005, ondanks het sindsdien verrichte reparatiewerk, een teken aan de wand.

Reageer op deze column via nrc.nl/heldring.