Roulette in Uruzgan

Ruim van tevoren stond het vast dat de meerderheid van de Tweede Kamer dit besluit van het kabinet zou steunen. De Nederlandse militaire missie blijft nog twee jaar in Uruzgan, wat betekent dat de laatste Nederlandse soldaat eind 2010 dit gebied zal hebben verlaten. Het krijgshaftige deel van de Kamer twijfelde er niet aan dat de toestand daar dan, ook door ‘onze’ aanwezigheid, aanmerkelijk zal zijn verbeterd. Geen van de ministers of Kamerleden heeft duidelijk kunnen uitleggen waaraan die verbetering dan te danken zal zijn. Dat is het grote manco van dit debat over een beslissing die op de gebrekkigste gronden is genomen.

In de discussie over de Nederlandse aanwezigheid in Afghanistan wordt er stilzwijgend en voortdurend van uitgegaan dat we hier in wezen te maken hebben met een bilaterale verhouding. Weliswaar zijn we daar als lid van de NAVO, zoals ook de Britten en de Canadezen, maar ons is nu eenmaal de provincie Uruzgan toegewezen. Die zouden we eerst gaan wederopbouwen en toen de gereorganiseerde Talibaan dat verhinderden, werd onze opbouwmissie tot een vechtmissie. Niets aan te doen. Dan maar vechten. De vraag naar de oorzaken van de terugkeer van de Talibaan heeft in het debat geen rol gespeeld.

Dat de opstand zoveel kansen heeft gekregen is ten eerste te wijten aan de politiek en strategie van Washington. Na de aanvankelijke overwinning, zes jaar geleden, was men daar van mening dat nu eerst het probleem Irak moest worden opgelost. De oorlog begon (met Nederlandse instemming) en op 1 mei 2003 verklaarde president Bush dat de ‘major operations’ met succes waren bekroond. Daarna is de oorlog pas goed begonnen. Vandaar dat er nog altijd 150.000 Amerikaanse soldaten in het gedemocratiseerde land zijn en Afghanistan voor Washington een vraagstuk van de tweede orde is geworden. De Amerikanen kunnen niet weg uit Irak. Dat is de eerste oorzaak van het herstel van de Talibaan. Premier Balkenende en de ministers Van Middelkoop en Verhagen hebben op dit vraagstuk geen enkele invloed.

Onze tegenstanders in Uruzgan ravitailleren en rekruteren in het voor westerlingen ontoegankelijke gebied tussen Afghanistan en Pakistan. President Musharraf is wel de grote bondgenoot van de Amerikanen, maar al jaren laten zijn vriendschappelijke prestaties te wensen over. De afgelopen maanden is hij in toenemende mate in moeilijkheden geraakt. In de strijd tegen het terrorisme en de Talibaan in het bijzonder, was hij al een overschatte factor. Nu wordt in Washington erkend dat Pakistan zich in een toestand van gevaarlijke onzekerheid bevindt. Washington is daarom bezig een nieuw beleid te ontwerpen. Dat kan regelrecht van invloed op Afghanistan zijn. Den Haag heeft er niets over te zeggen.

Over het algemeen zijn de Amerikaanse regering en het militaire opperbevel van mening dat de tegenstander in Afghanistan door de NAVO te ‘soft’ wordt aangepakt. De papavers waaruit opium en heroïne worden gemaakt, moeten uit de lucht met gif worden besproeid. Er moet eerder worden geschoten. Dat de papavers de belangrijkste bron van inkomsten voor het Afghaanse boerenbedrijf zijn, dat je een behoorlijk agrarisch alternatief zou moeten bieden voor je begint te sproeien, en dat je bij het schieten weleens onschuldige burgers zou kunnen raken, zijn vraagstukken van de tweede orde. Een paar maanden geleden heeft president Karzai er bij collega Bush op aangedrongen het wat kalmer aan te doen. Heeft het geholpen? In Amerikaanse militaire kringen wordt erover geklaagd dat de NAVO in Afghanistan niet agressief genoeg is. Wat denken het kabinet en de Tweede Kamer daarvan?

Komend voorjaar wordt in Boekarest een topconferentie gehouden waar alle regeringsleiders van het bondgenootschap aanwezig zullen zijn. Zou het, om te beginnen, niet verstandig zijn geweest te wachten met het besluit tot verlenging van de Nederlandse aanwezigheid tot deze bijeenkomst? De Canadezen, die ook tot hun verrassing hun opbouwmissie in een vechtmissie hebben zien veranderen, aarzelen over verlenging. Nederland heeft meteen beloofd dat onze soldaten er nog twee jaar zullen blijven. Waarom – in aanmerking genomen de lange reeks onzekerheden – hebben we niet beloofd, voorlopig voor één jaar bij te tekenen? Dat had misschien onze onderhandelingspositie ook nog versterkt.

Politici die van hun patriottisme een beroep maken, verklaren weer dat ze achter onze dappere soldaten staan. Het is de vraag of die soldaten in 2010 nog achter deze dappere politici zullen staan. Voor alle zekerheid: ik ben niet tegen een Nederlandse missie in Afghanistan. Maar het is de plicht van kabinet en Kamer om degenen die hun leven wagen met de grootst mogelijke politieke zekerheden te omringen. Dat is nu niet het geval. Met de terugkeer van de Talibaan, het wankele politieke evenwicht in Pakistan en volgend jaar de verkiezing van een nieuwe Amerikaanse president valt er over de ontwikkelingen in Afghanistan volstrekt niets meer te voorspellen. Behalve dan dat, nu we ons hebben verbonden om er tot 2010 te blijven, we onze soldaten hebben uitgeleverd aan een jungle van onzekerheden waarop ‘Den Haag’ geen enkele invloed heeft. Dat is geen politiek meer. Het is roulette spelen met andermans leven als inzet.