Op iedere man een vrouw. Verplicht

Dat zo weinig vrouwen in Nederland de top bereiken, is een grote onrechtvaardigheid.

Quotering kan (on)bewuste discriminatie tegengaan.

De achterstand van vrouwen in de hogere echelons van wetenschap, overheid en bedrijfsleven is een ernstig maatschappelijk kwaad. Het is zowel een verspilling van talent als een grote onrechtvaardigheid.

Gelet op de in brede kringen erkende (althans beleden) ernst van de kwestie, is het verbazingwekkend dat de introductie van enige vorm van quotering bij voorbaat wordt afgewezen. Hoewel de argumentatie daartegen even voorspelbaar als ondeugdelijk is, kan het toch geen kwaad om daar mee af te rekenen, zonder overigens de illusie te hebben dat deze niet opnieuw unverfroren (of met poeha) weer te berde wordt gebracht. Ik beperk me tot de drie belangrijkste argumenten.

1Quota zijn overbodig omdat de achterstelling op ‘natuurlijke’ wijze binnen een ‘redelijke’ termijn zal verdwijnen. Soortgelijke geluiden werden in Noorwegen gehoord toen daar in 1995 de mogelijkheid van quotering werd geopperd. De grootste Noorse werkgeversvereniging, NHO, stelde dat ze de vrouwenachterstand wel binnen vijf jaar zou kunnen repareren.

Toen in 2003 daadwerkelijk met quota werd gedreigd, werd de werkgevers nog eens een termijn van drie jaar gegund om vrijwillig de deelname van vrouwen op peil te brengen. Maar pas door de wettelijke verplichting in 2006 van een minimum van 40 procent vrouwen in de raden van bestuur, kwam er schot in de zaak.

Met het naderen van de deadline van 1 januari 2008 is het verplichte percentage vrijwel gehaald. Opmerkelijk is dat de NHO nu erkent dat de quotumregeling daarvoor een grote stimulans is geweest. Dit toont aan dat de historisch gegroeide maatschappelijke werkelijkheid zich laat buigen. Wetten kunnen mores wijzigen.

Een voorbeeld dichter bij huis: de toename van vrouwen in de Nederlandse rechterlijke macht, eens een mannenbolwerk waar vrouwen wettelijk geen toegang hadden, tot iets meer dan 50 procent. Dit is mede tot stand gekomen doordat de commissie die verantwoordelijk is voor het aantrekken van nieuwe leden aanvankelijk informele quota (het ‘afspiegelingsbeginsel’) heeft gehanteerd. Tegenwoordig is het zelfs bon ton om te praten over de (vermeende) kwalijke gevolgen van de feminisering van rechterlijke macht.

Ook daarvoor bieden de Scandinavische landen soelaas, omdat met een quotum van 40 procent voor vrouwen en mannen wordt gewerkt. Het Finse kabinet bijvoorbeeld bestaat nu uit 12 vrouwen en 8 mannen. Méér vrouwen komen er dus niet bij. Mannen hoeven geen angst te hebben dat ze worden gemarginaliseerd.

2Quota zijn contraproductief omdat vrouwen daardoor worden gestigmatiseerd en minder serieus worden genomen. Het is veelzeggend dat dit argument in de Scandinavische landen niet langer wordt gehoord. Het argument suggereert een oneigenlijke tegenstelling tussen ‘quota’ versus ‘geschiktheid’, alsof een quoteringsregeling de verplichting in het leven zou roepen om op willekeurige wijze incompetente vrouwen te werven. Integendeel, een quoteringsmaatregel zal in de praktijk vooral fungeren als een breekijzer om allerlei vormen van bewuste en onbewuste discriminatie te bestrijden.

3Quota leiden tot een bureaucratische uitwas. Geavanceerde arbeidsorganisaties streven al lang op een systematische manier naar een evenwichtig en divers samengestelde personeelsopbouw. Een quotaregeling kan dan juist een handzame leidraad vormen om blinde vlekken in het personeelsbeleid tegen te gaan.

De bezwaren tegen quota als instrument tegen ongelijkheid kunnen geen stand houden. Ze komen voort uit een mix van koudwatervrees, vooroordelen, onwetendheid, en vooral een ontkenning van (on)bewuste discriminatie. Om dit te doorbreken is politieke daadkracht nodig.

In Noorwegen was het een als conservatief bekend bestaande minister die in 2003 met de vuist op tafel sloeg en de pers liet weten dat hij „ziek en misselijk” was van het ontbreken van vrouwen in de directiekamers en dat hij het kabinet een quotumregeling zou voorstellen. De vraag is nu: welke minister slaat in Nederland met de vuist op tafel?

Ben Sloot is hoogleraar rechtssociologie aan de Open Universiteit Nederland en specialist op het gebied van gelijke behandeling.